Op deze pagina blog ik onder meer over religie, politiek en samenleving.

Uitgebreide en wetenschappelijke publicaties zijn te vinden op http://www.ruardganzevoort.nl

Reacties uitgeschakeld voor

Opgeslagen onder Uncategorized

Eerste Kamer reflecteert op eigen rol in toeslagenaffaire

Op 27 september 2022 debatteerde de Eerste Kamer op een zelfevaluatierapport. Mijn inbreng:

We beginnen dit parlementaire jaar met zelfreflectie. Twee weken geleden bespraken we het parlementaire onderzoek naar antidiscriminatiewetgeving, dat ik de dag erna mocht ik het rapport presenteren bij de monitoring committee van de parlementaire assemblee van de Raad van Europa. Vandaag de zelfevaluatie naar aanleiding van de toeslagenaffaire. Dat zelfevaluatierapport zoomt heel concreet in op een casus en vooral op de parlementaire behandeling in deze Kamer. Waar hebben we steken laten vallen? Waar hebben we fouten gemaakt?

Voor mijn fractie gaat het vandaag niet om het wijzen met een vingertje. Dat is te veel politiek scoren over de ruggen van mensen die tussen de wielen van de overheid zijn gekomen. Want het gaat over mensen die door de overheid gemangeld zijn geraakt en tot op de dag van vandaag met de pijnlijke gevolgen zitten. Ongekend onrecht. En dat onrecht is niet buiten ons omgegaan. De wetten en regelingen die het veroorzaakten, faciliteerden, legitimeerden, zijn hier door ons goedgekeurd. En daarom is zelfreflectie nodig. Met dank aan de werkgroep die deze zelfevaluatie geschreven heeft, kijken we in de spiegel. 

De spiegel vertelt ons dat de Kamer wel controleerde op een manier die klassiek de taken van de Eerste Kamer omschreef. Waren de wetten rechtmatig, uitvoerbaar, handhaafbaar? Maar er was onvoldoende aandacht voor de zaken die achteraf gezien het meest van belang waren. Rechtmatig was het misschien wel, maar rechtvaardig niet, om maar te verwijzen naar de maiden speech van collega Lucas Vos twee weken geleden. Er was te weinig oog voor de mensen om wie het ging. De aandacht ging zozeer uit naar fraudebestrijding dat de zorg voor mensen in het geding kwam. Allemaal aspecten die ook terug komen in het afwegingskader uit ons antidiscriminatieonderzoek. Pas in de loop van de jaren kreeg de Kamer meer aandacht voor het perspectief van de burger. Als we daar een ding uit moeten leren, dan is het dat onze belangrijkste verantwoordelijkheid als volksvertegenwoordigers is, dat we nooit de mensen om wie het gaat uit het oog mogen verliezen.

Maar de werkgroep legt ook de vinger bij de halfslachtige manier waarop we als Kamer ons werk hebben gedaan. De Kamer legde de vinger wel precies op de zere plek, maar pakte niet door. We slikten de bezwerende uitspraken van bewindspersonen en de wetsvoorstellen werden aanvaard. Niet omdat de Kamer overtuigd was van de wetstechnische kwaliteit maar omdat er politieke redenen waren om het niet te blokkeren. Als doekje voor het bloeden kreeg de Kamer dan een aantal toezeggingen en evaluaties, maar die werden nauwelijks serieus opgevolgd door de Kamer. 

Het is een pijnlijk beeld dat ook niet beperkt is tot de toeslagenaffaire. Er zijn veel meer wetten die onder grote druk door de Kamer werden geloodst en waarvan we achteraf moeten erkennen dat we niet scherp genoeg getoetst hebben. Denk alleen maar aan de Programmatische Aanpak Stikstof, de PAS. En precies dezelfde vraag ligt op tafel bij de Omgevingswet: hoe zit het met de uitvoerbaarheid? Wat doen we met de signalen van uitvoeringsinstanties en decentrale overheden?

Regelmatig wordt de vraag gesteld of de Eerste Kamer niet te politiek is geworden en of we ons niet vooral moeten beperken tot het toetsen van de wetskwaliteit. De Senaat is er, zo zei Donker Curtius al in 1848, ‘niet om het goede te stichten maar om het kwade te voorkomen’. In deze zelfevaluatie blijkt dat we dat simpelweg niet goed genoeg gedaan hebben. Dat we onvoldoende kritisch zijn geweest en dat we onvoldoende hebben opgelet bij evaluaties en toezeggingen. Soms door politieke druk om tekortschietende wetsvoorstellen te aanvaarden, en dat wordt vooral gevoeld door fracties van coalitiepartijen of partijen die met de regering een akkoord hebben gesloten. Mijn fractie heeft dat ook wel eens aan den lijve ervaren, dus we weten hoe dat voelt. De ruimte om werkelijk kritisch naar wetten te kijken is nu eenmaal een stuk kleiner als je politiek gecommitteerd bent aan een goede afloop en dus eigenlijk niet tegen kúnt stemmen. Hoe meer je gebonden bent aan het regeringsbeleid, des te groter het risico dat de toetsing van wetten verzwakt. Bij fracties in de oppositie speelt een ander risico, namelijk om de aandacht te verleggen van wetsbehandelingen naar andere aspecten. En daarom zou mijn vraag aan de collega’s van coalitie en oppositie beide zijn: wat kunnen we nu doen om die toets op wetskwaliteit echt te verbeteren? Om grondiger te kijken naar rechtmatigheid, rechtvaardigheid, uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid? Om gezamenlijk onze rol ernstig te nemen om het kwade te voorkomen?

Voorzitter, de fractie van GroenLinks sluit zich graag aan bij de aanbevelingen van de werkgroep. Ik licht er een paar punten uit. De toets op rechtvaardigheid zou om te beginnen een veel belangrijker plaats mogen krijgen in onze beoordeling van wetten. Wat mijn fractie betreft, wordt dat ook expliciet opgenomen in het Kamerledenhandboek “Aandachtspunten voor Wetgevingskwaliteit”. Op die manier wordt het ook bij nieuwe Kamerleden onder de aandacht gebracht. Bij de concretisering daarvan komen dan als vanzelf ook aandacht voor het burgerperspectief, vertrouwen in plaats van wantrouwen en de behoefte aan hardheidsclausules aan bod. Ik vraag de werkgroep graag om een reflectie op dit voorstel.

In de tweede plaats zou de toets op uitvoerbaarheid moeten worden aangescherpt. Beter doorvragen aan de voorkant en serieuzer nemen van signalen van uitvoeringsorganisaties en decentrale overheden. Zij moeten het werk gaan doen en als zij aangeven dat iets niet kan, dan weegt dat misschien wel zwaarder dan de geruststellingen van de regering. Mijn overweging daarbij zou zijn dat juist als je graag wil dat een wet wordt aangenomen, je er alle belang bij hebt dat ook de uitvoering gaat lukken. Kritisch zijn op uitvoerbaarheid zou daarom coalitie en oppositie moeten verbinden! Voor beiden is uitvoerbaarheid een essentieel punt. Hoe doen we dat? En zouden we de Omgevingswet bijvoorbeeld als testcase kunnen nemen om ondanks politieke verschillen voluit op de toetsing van uitvoerbaarheid in te zetten?

In de derde plaats zouden we ernaar moeten streven om toezeggingen zo scherp mogelijk te maken zodat de opvolging kan worden gemonitord. Toezeggingen zijn geen schaamlap om maar voor een wet te kunnen stemmen. Het zijn belangrijke instrumenten om de wetskwaliteit te waarborgen, als we de uitvoering goed volgen. Datzelfde geldt voor evaluaties. Als we een evaluatie vragen, dan moeten we daar de relevante criteria bij aangeven en vervolgens ook die evaluatie serieus bespreken. Anders is het vragen en uitvoeren van de evaluatie verspilde moeite.

Dat alles roept natuurlijk de vraag op wat we nodig hebben om dit te doen. Mijn fractie denkt dat dat allereerst een kwestie van houding is: nemen we onze controlerende taak wel serieus genoeg? Maar het is ook een kwestie van tijd en middelen. Zeker voor kleine fracties is het echt bijhouden van al deze zaken een zware taak. Daarom ligt de vraag op tafel of de ondersteuning voldoende is om het toetsen van uitvoerbaarheid en het monitoren goed vorm te geven. Er zijn verschillende manieren om dat te versterken. Gelukkig hebben we als Eerste Kamer een geweldige staf en die zou wellicht nog een iets inhoudelijker rol kunnen spelen bij de weging van toezeggingen. Niet politieker natuurlijk, maar wel inhoudelijker. Ook zouden de vaste commissies kunnen overwegen om vaker te werken met rapporteurs waarbij een oppositie- en coalitielid samen met ondersteuning op een specifiek onderwerp rapport uitbrengen over bijvoorbeeld uitvoerbaarheid, maar ook over de steeds belangrijker wordende digitaliseringsaspecten. En we zouden moeten overwegen om de fractieondersteuning te versterken. Met het aantal wetten dat wij behandelen en de complexiteit van wetgeving en samenleving is het voor deeltijdpolitici zoals wij zijn steeds ingewikkelder om wetten goed te toetsen. Voor een politieke mening hebben we niet meer tijd of ondersteuning nodig, maar voor een gedegen analyse van wetsvoorstellen wel. 

Voorzitter, tot zover mijn bijdrage. Ik ben benieuwd naar de reflecties van de werkgroep, maar met name ook van de collega’s van andere fracties. Want we hebben vooral een gezamenlijke opdracht om het beter te doen dan we gedaan hebben.

1 reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

Antidiscrimination laws

Presentation to the Monitoring Committee of the Parliamentary Assembly of the Council of Europe

14-09-2022

Mister chairman, esteemed colleagues,

Let me start by expressing my appreciation for your interest in the childcare allowance case in the Netherlands. Substantial indications of systemic or institutional discrimination are the linking pin with the Senate’s parliamentary investigation committee on the effectiveness of anti-discrimination legislation. 

To be clear: our report does not discuss the childcare allowance case directly. The question the Senate wanted to address is why our legislation seems unable to curb this wide spread and systemic discrimination. As you may know, the first article in our constitution explicitly bans discrimination on any ground. We also have specific laws against discrimination on more specific grounds. We have implemented a system for complaints and local institutions to address individual cases. In short, we have extensive policies against discrimination. And yet… discrimination not only persists despite our legislation and policies, but sometimes because of them. And it is highly detrimental to our citizens.

The committee looked specifically at discrimination in the domains of the labor market, education, social security, and police; four domains with a different degree of governmental influence. In each domain we selected specific issues in discrimination that would help us understand the dynamics so that we can improve the legislative process. In the domain of social security, we looked at two issues: first, the role of algorithms in detecting unlawful use of social support and second, the fact that certain groups tend to avoid the social security system, even if they are entitled to receive support.

The analysis of our investigation highlighted the discriminatory risk of algorithms, especially when prejudice and bias are incorporated in the risk profiles and data sets. Moreover, even relevant and / or seemingly neutral information can contribute to discriminatory use of profiles and data. A combination of postal codes, use of IP-addresses, and phone numbers for example can indicate ethnicity or nationality and thereby result in indirect discrimination. 

With regard to the non-use of social security provisions, the complexity of the system and the fact that the government seems to mistrust those use are in need of support, were found to be important factors. This regards especially those with fewer social-economic resources and people with structural or temporary impaired capabilities. Although these criteria are hard to define in law, the outcome can be seen as discriminatory.

In a more general sense, the investigation resulted in six aspects that parliament needs to assess in the legislative process. These aspects can be formulated as questions that parliament should ask for every relevant bill.

First, trust. Does the government trust or mistrusts its citizens? The fundamental attitude should be that people by and large can be trusted and that in varying degrees they need support. If the government displays fundamental mistrust, this will likely result in discriminatory laws and policies.

Second, attention. Does the government display continuous attention for discriminatory processes and outcomes and does it listen specifically to what people need and experience? Lack of attention puts systems above people and easily results in discriminatory laws and policies.

Third, norms and language. Do new laws explicitly refer to antidiscrimination principles and make them concrete? And are implicit norms inclusive enough or do they favor certain groups? Vague and implicit norms can easily result in discriminatory laws and policies.

Fourth, simplicity. Do our laws and policies provide transparent, consistent, and integrated criteria and regulations to citizens and institutions, including educators and social services? The complexity of our laws and policies makes it difficult for citizens to claim the support they need, to execute their rights and to file complaints where needed. It also yields space for bias and prejudice and can therefore result in discriminatory laws and policies.

Fifth, leadership and accountability. Does the government explicitly make institutions and organizations responsible to curb discrimination and to arrange accountability structures? And do our policies provide for the necessary skills and professional space to use and account for discretionary power and hardship clauses? Failure to do so, especially in situations of unclear norms or conflicting political demands, may result in discriminatory laws and policies.

Sixth, clear and effective complaint procedures. Are the possibilities for citizens to complain about certain decisions clear, accessible, and effective? It is not enough to have procedures in place, if people cannot realistically use them. Moreover, this should not be the only safeguard because then only the well resourced citizens are able to use them which actually increases the risk of discriminatory laws and policies.

Trust, attention, norms, simplicity, leadership and accountability, and clear procedures. Obviously, these principles for parliamentary assessment of laws and policies are not a foolproof remedy for discrimination. They are, however, an important instrument in addressing the systemic and institutional dimension of discrimination. They clarify how our legislative processes willingly or unwillingly can result in discrimination, and they show what we can do to reduce that. Even more, they are just principles for good laws and good policies for all our citizens.

Thank you mister chairman.

Reacties uitgeschakeld voor Antidiscrimination laws

Opgeslagen onder Uncategorized

Hoop en de harde werkelijkheid

Ab Harrewijnlezing 2022. Bij de uitreiking van de Ab Harrewijnprijs op 13 mei 2022 mocht ik de lezing uitspreken. Geïnspireerd door de prachtige nominaties van projecten die laten zien hoeveel veerkracht er in de samenleving is.

Lees verder

Reacties uitgeschakeld voor Hoop en de harde werkelijkheid

Opgeslagen onder Uncategorized

Bij de afschaffing van het Lerarenregister

Debat in de Eerste Kamer op 9 november 2021

Op Valentijnsdag 2017 debatteerden we in deze Kamer over de invoering van het Lerarenregister. Nu we vandaag over de afschaffing spreken, leek het me aardig enig zelfplagiaat toe te passen, zij het met bronvermelding. Ik zei toen onder meer:

“Wie de stukken over het Lerarenregister tot zich neemt, die raakt welhaast ontroerd door alle goede bedoelingen. Het gaat erom de professionele ruimte van de leraar beter te erkennen en de kwaliteit van het beroep van leraar steviger te verankeren door professionele standaarden te ontwikkelen en een lerarenregister waarbij leraren zelf een belangrijke stem hebben in het bepalen van de kaders en criteria.”

Lees verder

Reacties uitgeschakeld voor Bij de afschaffing van het Lerarenregister

Opgeslagen onder Uncategorized

Wet Open Overheid

Bijdrage aan het debat over de Wet open overheid – Eerste Kamer 28 september 2021

Ruim negen jaar na indiening van de eerste versie van het huidige wetsvoorstel, na verwerking van de nodige nota’s van wijziging en uiteindelijk een novelle bespreken we vandaag het initiatiefvoorstel Wet open overheid. Alle lof om te beginnen voor de initiatiefnemers en achtereenvolgende verdedigers van het voorstel, de Tweede Kamerleden Peters, Schouw, Verhoeven, Voortman en Van Weyenberg en voor de verdedigers van vandaag Snels en Sneller. Ik kan nu een grap maken over hun namen in relatie tot de lengte van het traject, maar ik memoreer liever hun doorzettingsvermogen en het belang van het wetsvoorstel. Een belang dat in het afgelopen jaar alleen maar groter en duidelijker is geworden. Op verschillende terreinen en dossiers is het wantrouwen in de overheid gegroeid en de roep om transparantie toegenomen. Uiteindelijk is de overheid er voor de burgers en niet andersom. En in een land waarin de mondigheid en verantwoordelijkheid van die burgers vanzelfsprekend is, past het ook als de overheid in principe volstrekt transparant is. Natuurlijk zijn er uitzonderingen en dat moet dan ook goed geregeld worden, maar het uitgangspunt is openheid en toegankelijkheid van officiële documenten van de overheid.

Het zal u niet verbazen dat mijn fractie de intentie van dit voorstel steeds gesteund heeft. Voor GroenLinks staat het versterken van de democratie altijd hoog op ons prioriteitenlijstje. Daarom moeten burgers toegang krijgen tot informatie en instrumenten om beleid te beïnvloeden. Dit wetsvoorstel gaat over die informatie. In eerste instantie zaten we wel te dubben op de uitvoerbaarheid. Het oorspronkelijke voorstel vonden we sympathiek maar we zagen ook allerlei haken en ogen bij de uitvoerbaarheid. We zijn dan ook blij met de wijzigingen die via de novelle zijn aangebracht. In deze vorm oordelen we veel positiever over de uitvoerbaarheid. Maar natuurlijk is dat een beetje water in de wijn en we begrijpen heel goed dat we nu de vraag moeten beantwoorden of de Wet open overheid nog wel ver genoeg gaat. Daarover gaan mijn eerste vragen dan ook. Daarna ga ik nog in op een paar kleinere maar niet onbelangrijke zaken.

Gaan we ver genoeg met dit wetsvoorstel? Geven we hiermee burgers, journalisten, de samenleving dus voldoende grip op wat zich afspeelt bij besluitvorming door de overheid? Een belangrijk ijkpunt daarvoor zou de Tromsø-conventie kunnen zijn. In 2014 zeiden de initiatiefnemers in de Tweede Kamer dat zij verwachtten dat Nederland zou toetreden tot de conventie gezien onze betrokkenheid bij de totstandkoming. Mijn eerste vraag is dan ook of zij deze verwachting nog steeds hebben en ik vraag dat ook aan de regering. En belangrijker dan de verwachting is de vraag naar de wil daartoe. Wat zou volgens de initiatiefnemers en de regering de meerwaarde zijn van ondertekening en ratificering en wat zou ons eventueel in de weg staan? Zijn regering en initiatiefnemers het met mijn fractie eens dat het wenselijk is dat we waar mogelijk in de pas lopen met internationale standaarden zoals Tromsø en in elk geval niet minder doen dan in dat verdrag is opgenomen.

Concreet daarbij is natuurlijk de vraag op welke punten de Woo nog zou moeten worden bijgesteld om aan Tromsø te voldoen. We begrijpen dat dat in elk geval geldt voor de absolute weigeringsgrond voor concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens en de uitzonderingsgrond onevenredige benadeling. We snappen natuurlijk dat zulke afwijkingen van Tromsø het gevolg kunnen zijn van het politieke proces van amendering en we zullen hier moeten stemmen over de voorliggende tekst. Mijn vraag is evenwel of er dwingende juridische redenen zijn waardoor we op deze punten van Tromsø moeten afwijken. Wanneer we het verdrag zouden ondertekenen, kunnen we dan de wet in overeenstemming brengen met het verdrag of stuit dat op problemen? En een wetstechnische vraag aan de regering: komt de rechtsgeldigheid van de Woo in gevaar als we Tromsø zouden ondertekenen en ratificeren?

Ik sluit dit stukje af met een verzoek. Is de regering bereid om na invoering van de Wet open overheid te onderzoeken welke vervolgstappen nodig zijn om te voldoen aan de standaarden van de Tromsø-conventie en de uitkomst daarvan binnen een jaar met de Kamers te delen zodat het gesprek over eventuele toetreding kan worden verder gebracht?

Aansluitend daarbij: er zijn de nodige concessies gedaan met het oog op de uitvoerbaarheid. Bij de evaluatie moet natuurlijk duidelijk worden hoe de Wet uitpakt, ook qua uitvoerbaarheid. Is de regering bereid om bij die evaluatie de vraag mee te nemen of er ruimte is voor verdergaande maatregelen om de openbaarheid van bestuur in de toekomst nog te vergroten? Dan zouden we de Wet open overheid echt als een groeimodel benaderen en de overheid als een lerende organisatie. Hoe mooi zou dat zijn!

Ik vervolg met een aantal kleinere vragen, allereerst aansluitend bij het punt van doorgroeien naar verdere transparantie: wanneer verwacht de regering de eerste resultaten van de experimenten met het informatieregister? Is de regering bereid de inwerkingtreding van het Register te versnellen, indien de resultaten van de experimenten voldoende positief zijn?

Dan over de uitzonderingsgronden voor de openbaarmaking van adviezen van de Raad van State. In principe worden die adviezen actief en vroegtijdig openbaar gemaakt en niet meer – zoals nu – pas als de regering een wetsvoorstel feitelijk indient. Dat is grote winst, maar mijn fractie heeft wel een vraag bij artikel 3.3.5.a waar staat dat de regering in uitzonderlijke gevallen kan verzoeken om adviezen pas openbaar te maken op het moment van indiening van het wetsvoorstel, en wel als eerdere openbaarmaking afbreuk zou doen aan het met de wet beoogde doel. Dat snappen we goed, maar we voelen ons ongemakkelijk bij het feit dat de regering daarin zelf bepaalt of ze vindt dat deze uitzondering aan de orde zou zijn. We kennen teveel voorbeelden van weglakken van tekst of het niet referendabel verklaren van wetten op het moment dat dat de regering goed uitkwam. Principieel lijkt ons dat een wet die de burger beschermt tegen willekeur van de overheid heel precies moet vaststellen wanneer de regering gebruik kan maken van een uitzondering. En daarom hebben we behoefte aan wat meer duiding. Onder welke omstandigheden is het legitiem dat de regering verzoekt om het advies nog niet openbaar te maken? Kunnen de initiatiefnemers dit nader expliciteren? Is met “afbreuk doen aan” meer bedoeld dan dat openbaarmaking zou kunnen leiden tot gedrag waarmee de wet zelf wordt omzeild of ondermijnd? Klopt onze interpretatie dat dit alleen in uitzonderlijke gevallen aan de orde kan zijn, zoals bij spoedwetgeving van ingrijpende aard? Zijn de initiatiefnemers het met ons eens dat dit eigenlijk nooit het geval zal zijn bij wetgeving waarbij de beoogde inwerkingtreding in de toekomst ligt omdat in die gevallen tussen openbaarmaking en inwerkingtreding nog steeds de tijd en ruimte bestaat voor gedrag dat afbreuk doet, zodat er dan geen redelijk doel gediend is met het verzoek van de regering? En tot slot: is het een goede gedachte dat een dergelijk verzoek van de regering eigenlijk voor alle betrokkenen evident moet zijn, zodat de Raad van State het daar ook direct mee eens zal zijn? Als dat zo is, zou dan de Raad van State niet de vrijheid moeten krijgen om op zo’n verzoek ja of nee te zeggen? Nu staat dat niet in de wet, maar mogen we deze ‘tenzij’-bepaling zo uitleggen dat de regering een dergelijk verzoek niet zal doen wanneer de Raad van State het met dat verzoek oneens is? Graag een toelichting van de initiatiefnemers, want dit is voor de wetsuitlegging wat ons betreft een belangrijk onderdeel.

Voorzitter, ik heb nog twee vragen over het bereik van de wet. Allereerst is de Woo niet van toepassing in Caribisch Nederland vanwege de legislatieve terughoudendheid. Daarvoor hebben we begrip, maar de vraag is wel of onze burgers in Caribisch Nederland nu gelijke rechten hebben of zijn achtergesteld. Zijn zij hierover geraadpleegd? Hoe wegen de initiatiefnemers en de regering het belang van de burgers in Caribisch Nederland, met name ook gegeven het feit dat het hier om kleine gemeenschappen gaat waar openbaarheid van bestuur wellicht nog belangrijker is om ondoorzichtigheid te voorkomen en eventuele belangenverstrengeling aan het licht te brengen? Is de regering bereid om te bezien hoe de WobBES kan worden aangepast aan het beschermingsniveau van de Woo?

En tot slot: een van de rafelranden van de Wob was het onderscheid tussen openbare en bijzondere onderwijsinstellingen. Openbare universiteiten bijvoorbeeld zijn publiekrechtelijk ingesteld en daarom vallen zij onder de Wob en de Woo. Bijzondere universiteiten – en als wij het goed zien het gehele HBO en MBO en een belangrijk deel van PO en VO. Hetzelfde geldt voor het verschil tussen openbare academische ziekenhuizen enerzijds en alle private zorginstellingen anderzijds. Mijn fractie snapt de juridische redenering maar vindt dit toch een ongelukkig aspect van de Wob en betreurt het dat dit in de Woo wordt gecontinueerd. Welk inhoudelijk belang, zo vraag ik de initiatiefnemers en de regering, is ermee gediend om dit onderscheid te laten voortbestaan? Is dit onderscheid in lijn met de geest van de Woo? Welke mogelijkheden zijn er binnen de Nederlandse staatsrechtelijke verhoudingen om de verplichting tot transparantie materieel gelijk te trekken tussen de verschillende instellingen binnen dezelfde sectoren? En als dat nu niet voldoende kan worden verduidelijkt, is de regering dan bereid om deze mogelijkheden te onderzoeken en ons daarover nader te informeren?

Voorzitter, ik kom tot een afronding. De Wet openbaarheid bestuur was een belangrijke stap naar meer transparantie. De Wet open overheid leidt tot significante verbeteringen. Dat zullen we steunen, maar het is niet genoeg. Daarom willen wij graag meer uitzicht krijgen op het ondertekenen en implementeren van de conventie van Tromsø, meer duidelijkheid over uitzonderingsgronden en meer inzicht in materieel overeenkomstige wetgeving voor Caribisch Nederland en voor bijvoorbeeld de sectoren zorg en onderwijs. Ik zie uit naar de antwoorden op mijn vragen.

Reacties uitgeschakeld voor Wet Open Overheid

Opgeslagen onder Uncategorized

Burgerschap in het onderwijs

Bijdrage aan het debat in de Eerste Kamer over aanscherpen van de burgerschapsopdracht in het onderwijs

Het lijkt zo vanzelfsprekend: we voeden onze kinderen op om straks als mondige en verantwoordelijke volwassenen hun weg in de samenleving te kunnen vinden. En daarin spelen ouders, scholen en anderen allemaal een rol. It takes a village to raise a child. Maar zo vanzelfsprekend is het niet, wanneer we het met elkaar oneens zijn over wat dan dat mondige, verantwoordelijke volwassen burgerschap inhoudt. Welke waarden staan daarin centraal en welk gedrag vinden we acceptabel of verwerpelijk? Die vraag komt aan de oppervlakte wanneer we het hebben over burgerschap, wanneer politici pleiten voor normen en waarden, wanneer we grondrechten bediscussiëren, enzovoorts. In de tijd van de verzuiling had elke zuil ruimte het eigen waardenpatroon vorm te geven. Maar na de ontzuiling en secularisatie werd dat veel ingewikkelder en werd de zoektocht naar algemeen geldende waarden sterker. Dat bracht de Duitse staatsrechtgeleerde Ernst-Wolfgang Böckenförde tot een veel bediscussieerde stelling dat de liberaal-seculiere staat leeft bij de gratie van voorwaarden die ze zelf niet kan garanderen. Een pluriforme samenleving als de onze heeft namelijk geen eenduidige en vanzelfsprekende waarden waarop een ieder aanspreekbaar is. En de staat is maar zeer beperkt in staat om die waarden te formuleren en te garanderen, laat staan af te dwingen.

Het is niet voor niets dat veel discussies over die basale waarden al heel snel gaan over de verhouding tussen religieuze en seculiere waardenpatronen. Ze worden onmiddellijk in de hoek getrokken van vragen naar godsdienstvrijheid, tolerantie en artikel 23. Ze gaan daarmee ook al snel over de vraag wat in de publieke dan wel in de private sfeer thuishoort, waar religie een plek mag hebben, waar onderwijs plaatsvindt, en hoe ver de overheid in beide sferen mag doordringen. En daarmee wordt het een machtsstrijd die wil bepalen dat sommige waarden universeel zijn en dus publiek en andere – bijvoorbeeld religieuze – waarden secundair en ondergeschikt moeten blijven.

Dit lijkt misschien een al te filosofische reflectie, maar ze verklaart waarom we bij het wetsvoorstel verduidelijking burgerschapsopdracht brieven krijgen van lobbyisten die hetzij pleiten voor een dwingender eis aan scholen om bepaalde waarden uit te dragen en vorm te geven, hetzij opkomen voor het grondwettelijke recht om het onderwijs naar eigen visie en inzicht in te richten. Allebei zijn het normatieve standpunten, en allebei worden ze vaak technocratisch en juridisch ingevuld, alsof een wettelijk vastgestelde eis om bij te dragen aan actief burgerschap de oplossing is voor intolerantie of juist de doodsteek voor eigen verantwoordelijkheid voor scholen.

De wetstekst van 2006 die burgerschap stevig verankerde zonder veel te bepalen over de inhoud ervan, past in dat spanningsveld. De wens om die opdracht aan te scherpen evenzeer, want de algemene formuleringen werken niet, zo zegt ook de Inspectie. En met de toegenomen polarisatie en intolerantie in de samenleving neemt de behoefte aan verduidelijking toe, ook al begrijpt iedereen dat het onderwijs niet de oplossing is van alle maatschappelijke problemen.

Het voorliggende wetsvoorstel doet daarom een poging om de burgerschapsopdracht aan te scherpen en mijn fractie is daar blij mee. De formuleringen van het oorspronkelijke voorstel waren voorzichtig, want de inhoud van burgerschap wordt nog steeds terughoudend beschreven: het onderwijs bevordert respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtstaat zoals verankerd in de Grondwet, en de universeel geldende fundamentele rechten en vrijheden van de mens. En het onderwijs ontwikkelt bij de leerling sociale en maatschappelijke competenties om deel uit te maken van en bij te dragen aan de pluriforme democratische Nederlandse samenleving. En dat is dan niet alleen een lesinhoud; het bevoegd gezag draagt zorg voor een schoolcultuur die hiermee in overeenstemming is.

Voorzitter, deze formulering is een zoektocht naar balans tussen ruimte laten voor verschillende levensovertuigingen enerzijds en onverschilligheid anderzijds. Schipperen tussen dwingende eenheidsworst en een nieuwe verzuiling waarin parallelle samenlevingen kunnen ontstaan met alle gevolgen van dien. De hier gedefinieerde burgerschapsvoorwaarde lijkt ons wel de ondergrens te zijn. Als de in de Grondwet verankerde basiswaarden en de universele rechten niet meer het ijkpunt zijn, dan komen we aan de grens van wat in een democratische rechtstaat kan worden getolereerd. Dat is wat Karl Popper de tolerantieparadox noemde: in een open democratische samenleving kan intolerantie niet worden getolereerd omdat dat de bijl aan de wortel van die samenleving is.

Daarom is mijn fractie blij met het amendement Van den Hul dat nog iets toevoegt dat juist nu zo belangrijk is: het bijbrengen van kennis over en respect voor verschillen in godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, afkomst, geslacht, handicap of seksuele gerichtheid alsmede de waarde dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden. Natuurlijk, dit is artikel 1 van de Grondwet en technisch gezien dus niets nieuws. Maar respect voor diversiteit blijkt helemaal niet vanzelf te spreken. Religieuze diversiteit, seksuele diversiteit, etnisch-culturele diversiteit… ze blijken in verschillende scholen, subculturen en ook politieke groeperingen soms zeer omstreden te zijn.

Wanneer we dit voorstel toetsen, kijken we naar de wenselijkheid en legitimiteit van het doel, maar ook naar de proportionaliteit en handhaafbaarheid. De uitvoerbaarheid is in dit geval niet zo ingewikkeld. Over de wenselijkheid heb ik genoeg gezegd. De legitimiteit wordt in verschillende ingebrachte bezwaren ter discussie gesteld, alsof de overheid met deze criteria een te inhoudelijke inbreuk zou maken op levensbeschouwelijke gemeenschappen. Dat overtuigt ons niet. Waar de inhoud niet anders is dan de Grondwet en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, kan niet gezegd worden dat de overheid hier haar neutraliteit verliest en zich moreel te dwingend opstelt. Wat betreft de proportionaliteitsvraag zijn wij van mening dat dit wetsvoorstel goed de balans houdt tussen enerzijds de vrijheid van scholen om aansluitend bij de eigen levensovertuiging en maatschappijvisie leerlingen te vormen en anderzijds het publieke belang dat die leerlingen in de pluriforme samenleving hun weg kunnen vinden en ook beschermd worden tegen intolerantie en discriminatie op de school zelf.

De handhaafbaarheid is in onze ogen wel een punt van overweging en daarover willen we de minister graag een vraag stellen. Als wij het goed zien, verloopt de handhaving van deze criteria via het toezicht op de deugdelijkheidseisen en niet via bijvoorbeeld de kerndoelen. Kan de minister aangeven hoe in dat toezicht wordt voorkomen dat het een kwestie is van afvinken, of van willekeur in de beoordeling? Op welke manier kan het toezicht juist ook bijdragen aan verbetering door een kritische dialoog over de manier waarop scholen zelf deze burgerschapsopdracht in hun visie hebben verdisconteerd? Anders gezegd: draagt de handhaving zelf ook bij aan een lerende organisatie?

Voorzitter, de Pavlov-reactie bij wetsvoorstellen als het voorliggende is vaak de klacht van bepaalde scholen dat zij in hun vrijheid worden beknot. Zo lezen we dat in de internetconsultatie is gevraagd “hoe het feit dat leraren moeten handelen in overeenstemming met basiswaarden en mensenrechten zich verhoudt tot de pedagogische vrijheid van scholen en leraren.” Alsof onderwijs dat met mensenrechten in tegenspraak is, pedagogisch verantwoord zou kunnen zijn. Waar het over zou moeten gaan, is de vraag wat onze kinderen nodig hebben om in een pluriforme democratische rechtstaat te leven. Dan gaat het bijvoorbeeld om de pedagogische verantwoordelijkheid die scholen hebben ook voor hun leerlingen die homoseksueel of transgender blijken te zijn. Dan gaat het om de pedagogische verantwoordelijkheid om leerlingen respect bij te brengen voor andersdenkenden, religieus of seculier. Scholen die zich door dit wetsvoorstel bedreigd voelen, zou ik graag uitnodigen in de spiegel te kijken: waarom zouden zij de vrijheid willen hebben om in hun lessen, identiteitsverklaringen of leermiddelen afbreuk te doen aan begrip en respect voor wie anders is?

In de hoop dat dit wetsvoorstel zal bijdragen aan een bredere vorming van onze jongeren tot mensen die zichzelf geaccepteerd weten en anderen accepteren, en die verantwoordelijkheid nemen voor zichzelf en de samenleving, zie ik uit naar het antwoord van de minister.

Reacties uitgeschakeld voor Burgerschap in het onderwijs

Opgeslagen onder Uncategorized

Theologisch stemadvies

Voor theologenblad Kontekstueel mocht ik vertellen over mijn politieke voorkeur: Wat ik stem, zal ondanks het grondwettelijke stemgeheim geen verrassing zijn. Ik ben immers al bijna tien jaar lid van de Eerste Kamer voor GroenLinks. Dat een theoloog de politiek in ging en dan ook nog voor GroenLinks was voor sommigen een verrassing maar voor mij sprak het altijd vanzelf dat spiritualiteit zich ook vertaalt in politieke keuzes. Zeker, het Koninkrijk Gods is niet van deze wereld en dat moet ons behoeden voor al te veel maakbaarheidsgedachten. Tegelijk zoeken we met Jeremia “de vrede voor de stad” en snappen we wat Jacobus bedoelt als hij zegt dat het te makkelijk is om mensen in armoede te vertellen dat ze zich warm moeten aankleden.

Lees verder

1 reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

Niet tolereren maar accepteren

Wetenschapper, politicus, hotelier, vader én voormalig dominee, Ruard Ganzevoort is een kat met negen levens. Of hij nou wil of niet, hij werd gedwongen om na te denken over diversiteit. “Inclusiviteit schuurt altijd.” Een gesprek. 

Interview in ‘Platform Utrechtse Protestanten Februari 2021.

Als de Domklok luidt, staat zijn bed waarschijnlijk te schudden. Centraler in Utrecht wonen dan Ruard Ganzevoort, kan bijna niet. Zijn huis hangt vol moderne kunst, ‘nog uit de tijd dat ik hotelier was, samen met Marc’. Een zwarte poes springt sierlijk van de tafel op zijn schouder. Op de achtergrond klinkt een vioolpartita van Bach. Alles klopt. Voor nu dan. Want lang zal hij hier niet meer wonen. Met zijn huidige liefde vertrekt hij binnenkort naar de ruimte en de rust, het platteland.  “Het huis is onder voorbehoud verkocht.”  vertelt hij, met een neutrale blik. Natuurlijk zal hij Utrecht gaan missen, vermoedt hij, maar het werd tijd om een nieuwe stap te zetten. Zo zet Ganzevoort zich opnieuw in beweging, op weg naar zijn tiende leven. Op de valreep van zijn Utrechtse bestaan, gaf Ruard Ganzevoort negen levensinzichten.

Lees verder

1 reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

Virtues of leadership: inclusion, resilience, and hope

Concluding reflections in the booklet “Moral leadership in times of crisis. Inspirational interviews with faith actors“.

The topic of eadership is hot. A quick scan in a major online book store lists no less than 100,000 titles (and this still excludes many of the world languages). Many of these connect leadership with effectiveness or success. The interviews you have read in this book make different connections. They speak of inspiration and a call to action and of three fundamental spiritual virtues: inclusion, resilience, and hope.

Lees verder

Reacties uitgeschakeld voor Virtues of leadership: inclusion, resilience, and hope

Opgeslagen onder Uncategorized

Parlementair onderzoek anti-discriminatie

Aanbieding rapport voorbereidingscommissie Parlementair onderzoek antidiscriminatiewetgeving in de Eerste Kamer op 2 februari 2021

Voorzitter, het is een grote eer om u – en daarmee de Kamer als geheel – zo dadelijk het rapport aan te bieden van de Tijdelijke commissie voorbereiding parlementair onderzoek effectiviteit anti-discriminatiewetgeving. De Kamerbrede tijdelijke commissie heeft, met oog voor de politieke verschillen, in grote eensgezindheid dit rapport voorbereid met de bedoeling dat de Kamer tot een weloverwogen besluit kan komen. Mede namens de commissie spreek ik allereerst grote dank en waardering uit voor de griffie en ondersteuning die met bijzondere inzet zowel procesmatig als inhoudelijk aan dit project hebben gewerkt.

Lees verder

Reacties uitgeschakeld voor Parlementair onderzoek anti-discriminatie

Opgeslagen onder Uncategorized