Het vuur beheersen

Religie is het mooiste dat we hebben, maar ook het gevaarlijkste. Met zo’n zin heb ik gelijk de zaal in tweeën verdeeld. De ene groep is het eens met deel één – de positieve kant van religie. De andere groep reageert onmiddellijk op deel twee – de schadelijke kant. En voor we het weten, herhalen we dezelfde gepassioneerde en vruchteloze discussie nog maar eens een keer. We duiken in onze loopgraven en halen ons eigen gelijk nog een keer, vaak gedreven door persoonlijke ervaringen, vooroordelen en emotionele reflexen. Maar daarmee komen we in het politieke debat niet verder en ontwikkelen we ook niet een volwassen visie waarmee we de ingewikkelde rol van religie in het publieke domein aan de orde kunnen stellen. Laat ik maar zeggen hoe ik er in sta. Ik zie religie als een vuur in de samenleving, bron van warmte en energie, maar altijd ook riskant. De uitdaging, ook politiek, is dan ook dat vuur te leren beheersen. (inleiding gehouden op het Politiek Café van Groen Links Amsterdam, 8 april 2010)

Twee gezichten van religie

Natuurlijk is er zowel over de positieve als over de negatieve kant van religie veel te zeggen. Door de eeuwen heen hebben religieuze tradities een enorme bijdrage geleverd aan de opbouw van de samenleving. De gezondheidszorg en het onderwijs zijn bijvoorbeeld groot geworden door de inzet van kerken en individuele gelovigen. Ook vandaag leveren de kerken en moskeeën een onbetaalbare bijdrage aan het maatschappelijk middenveld. Zo is berekend dat het vrijwilligerswerk van kerken in Rotterdam de gemeente jaarlijks 130 Miljoen bespaart (KASKI). Vergelijkbaar onderzoek onder migrantenkerken in Den Haag en bij de protestantse kerk in Utrecht laat zien dat van alle tijd en geld die gelovigen in kerkelijk verband besteden netto de helft een direct maatschappelijke bijdrage is. En dan hebben we het nog niet gehad over religieus geïnspireerde organisaties in zorg, welzijn en onderwijs. Of over het feit dat mensen die een godsdienst aanhangen gemiddeld meer vrijwilligerswerk doen en meer geven aan goede doelen. Met name in migrantenkringen speelt religie vaak een grote rol die ook veel bijdraagt aan integratie. En kunst en wetenschap zijn, zeker in voorbije eeuwen sterk door religie gestimuleerd. Kortom: de samenleving zou heel wat slechter af zijn zonder religie.

Maar ja, de schaduwkant is er natuurlijk net zo goed. In de afgelopen jaren zijn we gewend geraakt aan krantenkoppen waarin het woord islam wordt gekoppeld aan geweld, onderdrukking, intolerantie, achterstand van vrouwen, et cetera. Daarnaast kennen we ook christelijke terroristen, een dominee die een bommelding doet om een concert van Madonna te voorkomen, en 1300 meldingen van seksueel misbruik op rooms-katholieke internaten. En om op dat voorbeeld in te zoomen: de paus en de bisschoppen blijven maar steken in het idee dat helaas een aantal individuele paters zich aan incidentele gevallen van misbruik heeft schuldig gemaakt. Ze krijgen het maar niet over de lippen dat het kerkelijke systeem mede een oorzaak was en dat fundamentele zelfkritiek nodig is, dat religie zelf deel kan zijn van het probleem. Breder dan dat is het probleem dat de religieuze tradities nogal eens moeite hebben met de verworvenheden van kunst en cultuur, wetenschappelijke ontwikkelingen en de vrijheid van meningsuiting van kritische denkers. Ook dit rijtje is met talloze voorbeelden uit te breiden die allemaal suggereren dat de samenleving misschien wel beter af zou zijn zonder religie.

Vaak zijn de voorbeelden zelf al dubbelzinnig. Migrantenkerken en moskeeën dragen bij aan integratie, maar versterken ook taal en identiteit van het land van herkomst en dragen dus misschien juist bij aan een parallelle samenleving die niet integreert. En de inmiddels beruchte internaten hebben een enorm belangrijke rol gespeeld in het opbouwen en opleiden van het rooms-katholieke bevolkingsdeel dat met een behoorlijke opleidingsachterstand te maken had. De katholieke kerk rolde een systeem van scholen, internaten en seminaries uit waardoor allerlei kinderen, arm en rijk, goed onderwijs konden krijgen. Dat had een grote emancipatoire kracht. En tegelijk was er inderdaad daarbinnen sprake van machtsmisbruik, onderdrukking en seksueel geweld, onder het vloerkleed geveegd door een theologie van vergeving en onaantastbaar gemaakt door de bijna heilige status van de geestelijken. Steeds weer die twee gezichten van religie.

Nu zou je je natuurlijk kunnen afvragen of we die twee kanten van religie niet uit elkaar kunnen trekken. Ik denk eigenlijk van niet. Natuurlijk, er zijn wel verlichte en liberale vormen van religie die vooral gericht zijn op vrede, naastenliefde en al die mooie dingen, maar er zijn ook de ongemakkelijke en harde vormen. En die twee bestaan altijd met en naast elkaar. Mijn stelling zou zelfs zijn dat religie niet kan bestaan zonder de spanning tussen orthodoxie en vrijzinnigheid en dat de relatie tussen die twee precies de dynamiek is waardoor religieuze tradities zich steeds weer aan nieuwe situaties aanpassen, waardoor ze zich vernieuwen en tegelijk ook blijven oriënteren op hun oude bronnen. Orthodoxie zonder vrijzinnigheid verstart, vrijzinnigheid zonder orthodoxie verdampt. Ze hebben elkaar nodig, maar kunnen elkaar tegelijk moeilijk verdragen. De liberale aangepaste poldermoslims zijn daarbij net zo goed een antwoord op de Nederlandse context als hun radicale tegenpolen. De katholieke terugkeer naar de orthodoxie is net zo 2010 als het vrijzinnige verzet daartegen. Ik ziet niet voor me dat we religie kunnen – of zouden moeten willen – zuiveren van alle conservatieve krachten, ook al zal ik me zelf wel verzetten tegen wat ik als schadelijke gevolgen zie. Ik ga er vanuit dat religie altijd een ongemakkelijke kant blijft houden.

Drie houdingen tegenover religie

Dat brengt ons bij de volgende vraag: hoe gaan we daar mee om in het publieke domein? Als religie altijd die twee gezichten heeft, wat moet je daar dan als samenleving mee? En wat betekent dat voor een politieke partij als GroenLinks? Ik zie om me heen vaak drie houdingen die allemaal niet zo erg vruchtbaar zijn voor een plurale samenleving als de onze. De eerste houding is die van de belijders, de aanhangers van een bepaalde religieuze traditie. Dat is binnen zo’n traditie natuurlijk uitstekend, maar in het publieke debat kunnen hun religieuze argumenten meestal geen grote rol spelen. Alleen in een theocratie kunnen de belijders echt hun zin krijgen. In een democratie nemen de belijders het vaak op voor de goede kanten van religie en ze hebben het soms moeilijk om de negatieve kanten te erkennen. Ze doen vaak en kritiekloos een beroep op de godsdienstvrijheid, alsof dat religie totaal vrijwaart van elke tegenspraak. Zo was minister Rouvoet in eerste instantie aarzelend over een overheidsonderzoek naar de internaten vanwege de scheiding van kerk en staat! Alsof dat er iets mee te maken had.

De tweede houding is die van de bestrijders. Hier vinden we de harde secularisten die religie het liefst afgeschaft of onzichtbaar gemaakt zien. De verworvenheden van de godsdienstvrijheid stellen ze graag ter discussie en ze benadrukken de schadelijke kanten van religie. Sommigen richten daarbij de pijlen op alle religies, alsof elke religie dezelfde structuren en effecten heeft. Anderen hebben het vooral voorzien op een enkele religie, alsof die ene religie alleen schadelijk is en andere religies alleen heilzaam. Wat mij betreft, zijn de bestrijders net zo kortzichtig als de belijders. Ze scharen alles over een kam. Alsof de liberale moslima’s die ik aan de VU tegenkom hetzelfde doen, denken, geloven, leven als de fundamentalistische islam. Alsof de remonstrantse kerk, die al in 1986 homo-relaties inzegende net als huwelijken, hetzelfde is als de gereformeerde gemeente (‘de zwarte kousen’) die er nog nauwelijks over durft te praten. Het probleem met de bestrijders is dat ze zich zo door hun persoonlijke vooroordeel tegen religie laten leiden dat ze niet zien wat religie ook positief kan bijdragen aan de samenleving.

De derde houding is die van de vermijders. Dit zijn de mensen die er de vingers niet aan willen branden. Ze zijn niet voor religie en niet tegen, maar vinden vooral dat het zoveel mogelijk buiten de publieke sfeer moet blijven. Religie is een privé-zaak, mooi voor achter de voordeur, maar niet meer dan dat. Al snel klinkt het mantra dat de overheid neutraal moet blijven en zich op geen enkele wijze moet inlaten met religieuze organisaties. Zo staat het zelfs letterlijk in het verkiezingsprogramma van Rita’s Trots. Geen steun meer voor de hulpverlening van het Leger des Heils of islamitisch jongerenwerk. De volgende stap is de afschaffing van christelijk onderwijs of levensbeschouwelijk gekleurde zorginstellingen. En ook hier klinken de woorden ‘scheiding van kerk en staat’, maar nu eerder om de kerk te beteugelen dan om haar te beschermen. Dat vermijden heeft wel iets aantrekkelijks, maar het miskent de diepe betekenis die religie voor veel mensen heeft. Dat is niet iets dat ze thuis achter kunnen laten. Als we religie politiek willen negeren, dan zullen we steeds opnieuw ontdekken dat het op de meest ongelegen momenten en manieren naar boven komt.

Belijden, bestrijden, vermijden. Het zijn drie onvruchtbare manieren om om te gaan met religie in de samenleving. Wat we nodig hebben, is een ontspannener houding die religie serieus neemt als maatschappelijk thema en rekening houdt met de positieve en negatieve kanten ervan. Wat we nodig hebben, is een overheid die niet voor en niet tegen religie is, maar simpelweg erkent dat religie maatschappelijk een rol speelt en daarom een genuanceerde behandeling verdient. Wat we nodig hebben, is dat GroenLinks een evenwichtige visie op religie ontwikkelt en over haar eigen onderbuikgevoelens heen leert stappen. En een nieuw nadenken over wat ‘kerk en staat’ betekent.

Wat is een neutrale overheid?

Wat we nodig hebben als het gaat om religie, is uiteindelijk een neutrale staat. Daar is iedereen het wel over eens. De grote vraag is wat dat betekent. De rechtsfilosoof Wibren van den Burg onderscheidt drie vormen van neutraliteit: exclusief, inclusief en compenserend. Bekende termen in de Amsterdamse politiek, maar het is aardig te bedenken dat ze bij een GroenLinkser en LinkerWanger vandaan komen.

Exclusieve neutraliteit is de Franse benadering van laïcité. De kerngedachte is dat religie op geen enkele wijze in de publieke en politieke sfeer een rol mag spelen. De basis daarvan is de fundamentele vrees voor een oppermachtige godsdienst die moet worden gekortwiekt. In Nederland heeft deze benadering nooit echt een rol gespeeld en het past ook niet bij de plurale samenleving die we hebben. We hebben zoveel verschillende mensen en religieuze uitingen dat geen daarvan een monopolie heeft. Dat betekent ook dat geen enkele religie een dominante invloed heeft op de overheid.

Inclusieve neutraliteit betekent dat de overheid onpartijdig is en alle religieuze groepen en individuen de ruimte geeft om hun eigen plaats in te nemen, slechts ingeperkt door de noodzakelijke wettelijke beperkingen. Dat is globaal het model dat we in Nederland hebben. De overheid heeft geen voorkeur voor de ene religie of de andere, maar maakt probleemloos ruimte voor allerlei uitingen.

Compenserende neutraliteit wil zeggen dat de overheid in principe alle burgers de ruimte geeft te leven met hun eigen religie, cultuur, taal, of wat dan ook. Wanneer bepaalde groepen of individuen echter te maken hebben met structurele achterstelling, kan de overheid een taak hebben om hen daarin extra te ondersteunen. Zo kan de overheid extra steun beschikbaar stellen voor Friese cultuur of voor migrantenkerken als een puur proportionele benadering zulke kwetsbare groepen zou benadelen.

Volgens Wibren van de Burg zou een inclusieve neutraliteit het uitgangspunt moeten zijn. Dat betekent bijvoorbeeld dat een rechter met een hoofddoekje geen probleem is, als er daarnaast een rechter is met een keppeltje, een hanenkam, een kruisje of een stropdas. Zolang maar allerlei gestalten van religie, levensbeschouwing en cultuur naast elkaar worden erkend, is er niets aan de hand. De overheid kan ook met allerlei religieuze groepen samenwerken zolang ze maar niet de een of de ander bevoordeelt. Neutraliteit betekent dan vooral: de overheid heeft geen voorkeur voor deze of gene levensbeschouwing. Er zijn uitzonderingen op die inclusieve neutraliteit. Zo zou het lastig zijn als de koningin of andere symbolen van de staat zich aan een bepaalde religie verbinden. Daarom zou de koningin – we hebben er immers maar één – exclusief neutraal moeten zijn en zich niet te veel met een bepaalde religie moeten verbinden. En in sommige situaties verdienen kwetsbare groepen extra ondersteuning, compensatie, om niet ondergesneeuwd te raken. De basis is dus inclusieve neutraliteit, en in voorkomende gevallen vullen we dat aan met exclusieve en compenserende neutraliteit.

Conclusie

Religie is het mooiste en het gevaarlijkste cultuurgoed dat we hebben. We kunnen het ons niet veroorloven dat politiek links te laten liggen. Daarvoor heeft het te veel invloed op mensen en groepen. Een zinvolle politieke visie doet recht aan de heilzame en aan de schadelijke kanten van religie. Ze vermijdt de simplistische houdingen van het belijden, bestrijden, en vermijden. Ze ziet religie als een maatschappelijke factor van belang. En ze werkt aan een politieke visie van inclusieve neutraliteit, waarbij de pluraliteit van de samenleving helemaal tot zijn recht komt. We kunnen het vuur alleen beheersen als we het niet aan het lot of de goden overlaten.

Ruard Ganzevoort is voorzitter van De Linker Wang

Advertenties

Reacties staat uit voor Het vuur beheersen

Opgeslagen onder Religie en politiek

Reacties zijn gesloten.