Het einde van het enkele feit?

De discussie over het ‘enkele feit’ staat symbool voor het omgaan met de spanning  tussen godsdienstvrijheid en het verbod op discriminatie. Levensbeschouwelijke organisaties (zoals scholen) mogen in hun personeelsbeleid geen onderscheid maken op grond van het enkele feit van een homoseksuele oriëntatie. Dat uitgangspunt heeft sinds 1994 redelijk gewerkt, maar wordt nu herzien. Eigenlijk moet het gewoon worden geschrapt. Niet op grond van Europese regelgeving of een radicalere visie op emancipatie, maar omdat in de levensbeschouwelijke groepen zelf de visie op homoseksualiteit aan het verschuiven is.

Een van de leuke kanten van het werk aan een universiteit is dat je studenten meemaakt met scherpe inzichten. Voor de honoursmodule Religion, Identity, Conflict die ik dit jaar weer gaf, mocht ik net de eindwerkstukken beoordelen. Een van de studenten, Louis Middelkoop (derdejaars rechten), schreef zijn werkstuk over de ‘enkele feit’-constructie. Ik gebruik zijn analyse (waarin ik ook weer een deel van het college terug zie komen).

Het enkele feit van een homoseksuele oriëntatie mag geen invloed hebben op het personeelsbeleid. Het is geen reden iemand wel of niet aan te nemen of te ontslaan. Dat geldt ook voor orthodox-christelijke en moslimscholen. En het omvat ook het al dan niet hebben van een homoseksuele relatie en het al dan niet samenwonen. Zo is het vanaf 1994 in de Algemene Wet Gelijke Behandeling geregeld. Voor zover ik weet is deze formulering in de afgelopen 16 jaar nooit echt getoetst in concrete rechtszaken; de homoseksuele leerkrachten gingen niet werken op scholen die daar moeite mee hadden, of namen met wederzijds (?) goedvinden afscheid als ze bijvoorbeeld een relatie kregen of uit de kast kwamen. Processen van uitsluiting gaan nu eenmaal vaak subtieler dan dat je ze per wet kunt regelen. Inmiddels staat de formule ter discussie omdat het meer ruimte laat aan levensbeschouwelijke organisaties om te discrimineren dan volgens Europese regels is toegestaan. De Raad van State heeft daarover geadviseerd, en het (volgende) kabinet is aan zet. De formule die als vervanging is voorgesteld, lijkt echter vooral een kosmetische aanpassing en is geen wezenlijke verbetering, reden waarom een aantal partijen vinden dat de constructie gewoon geschrapt moet worden.

Terugkijkend kunnen we de ‘enkele feit’-constructie zien als een compromis dat in die tijd een vooruitgang was. Het hield rekening met het fundamentele verschil tussen de dominante visie op tolerantie en de visie van de orthodox-religieuze minderheden op homoseksualiteit. In die dominante visie is (homo-)seksualiteit vooral een wezenskenmerk van mensen. In de orthodox-religieuze visie is het vooral een zonde. Dat wil zeggen: in de dominante visie is het een aspect van identiteit, in de orthodox-religieuze een aspect van gedrag. Dat verschil in visie maakt het gesprek lastig. Immers, zowel moreel als juridisch is het twijfelachtig om onderscheid te maken op identiteit en wezenskenmerken. We maken om dezelfde reden geen onderscheid naar ras en geslacht. Maar onderscheid op grond van levenskeuzes en gedrag is veel vaker toegestaan. Dat verschil in ethische beoordeling is in de ‘enkele feit’-constructie recht gedaan. Discriminatie op basis van een identiteitskenmerk is zo afgewezen, terwijl er toch ruimte is gelaten voor onderscheid op basis van bijkomende gedragsaspecten.

Inmiddels zijn we een periode verder en is het de vraag of we de balans op dezelfde manier moeten regelen. Dat heeft er vooral mee te maken dat ook in orthodox-levensbeschouwelijke kring de overtuiging groeit dat homoseksualiteit niet alleen een kwestie is van gedrag (zonde). Steeds meer stemmen klinken die homoseksualiteit zien als een wezenskenmerk. Dat wil niet zeggen dat men er helemaal geen zonde meer in ziet, maar er is toch duidelijk een verschuiving van ‘homoseksualiteit is een keuze’ naar ‘homoseksualiteit is iemands wezen’. Dat zijn geleidelijke, maar uiterst belangrijke ontwikkelingen. In de eerste plaats voor homo’s binnen die kring, die vandaag veel meer erkenning en bestaansruimte vinden dan bijvoorbeeld twintig jaar geleden.

Maar het is ook belangrijk voor de discussie over het enkele feit. Als homoseksualiteit inderdaad meer gezien wordt als een identiteitskenmerk, dan is onderscheid maken minder acceptabel. Mede om die reden horen we steeds vaker hoe ook in reformatorische organisaties en op bijvoorbeeld Vrijgemaakte scholen homo’s gewoon kunnen functioneren. Soms is dat op voorwaarde van een celibatair leven, soms een variant op don’t ask don’t tell, soms is het ruimhartiger dan dat. Maar de visie dat homoseksualiteit bij iemands identiteit hoort, is steeds breder geaccepteerd.

Nu daarmee de afwijzing van homoseksualiteit in orthodoxe kring minder massief en fundamenteel is geworden, is het wettelijk verbod onderscheid te maken een minder ingrijpende inbreuk op de godsdienstvrijheid dan het voorheen was. Om onderscheid op grond van een identiteits- of wezenskenmerk toe te laten, zijn zware argumenten nodig. Waar die argumenten in de afgelopen 15 jaar minder zwaar zijn geworden, zal de uitzonderingspositie van levensbeschouwelijk organisaties als scholen zwakker worden.

Het enkele feit dat bijvoorbeeld een school reformatorisch is, is dan onvoldoende grond om homo’s te mogen blijven discrimineren.

Advertenties

Reacties staat uit voor Het einde van het enkele feit?

Opgeslagen onder Religie en politiek

Reacties zijn gesloten.