Waarom we van integratie een probleem maken

Gisteren heb ik gesproken op het politiek café bij GroenLinks Delft over ‘integratie en participatie’. Ons probleem in Nederland is niet integratie. Ons probleem is dat we van alles labelen als integratieprobleem. Waarom?

De titel van het politiek café was Hoezo mislukt? Dat was geleend van het recente boek van Frans Verhagen waarin hij in vogelvlucht beschrijft dat de integratie volgens het boekje verloopt en eigenlijk succesvol is. Ik denk dat hij gelijk heeft, en ik bouw dan ook op zijn gedachten voort.

Op allerlei terreinen – school, werk, sport, huwelijkspatronen, enzovoorts – zien we dat nieuwkomers en oudblijvers meer en meer op elkaar gaan lijken. De verschillen binnen de groepen zijn groter dan de verschillen tussen de groepen. Zo lijken de hoogopgeleide jongeren in allerlei groepen redelijk op elkaar, net zo als hun kansarme leeftijdsgenoten op elkaar lijken. Tussen de succesvolle en kansarme immigranten zijn echter grote verschillen, zoals die er ook zijn aan ‘witte’ kant. Net zo zien we bij orthodox-religieuze groepen dezelfde patronen, of ze nu wit, zwart, of bruin zijn. En de liberaal-seculiere allochtoon lijkt meer op een liberaal-seculiere autochtoon dan op zijn fundamentalistische volksgenoot.

Het standaardpatroon bij migratie is een drietraps-proces. De eerste groep heeft vaak de neiging om in het land van aankomst te overleven door zich sterk op mensen van de eigen groep te richten. Via volksgenoten vindt men baantjes, sociale ondersteuning, en natuurlijk herkenning in taal, cultuur, religie, identiteit. Zeker bij migranten met een zwakke economische positie en weinig opleiding is dat isolement in de eigen groep de manier om te overleven. En vaak houdt men de hoop ooit weer terug te keren naar het ‘eigen land’.

In de tweede fase gaat men de interactie aan. Ze gaan hier naar school en ontkomen er niet aan veel meer dan hun ouders ook met mensen uit andere groepen om te gaan. Zo schakelen ze voortdurend tussen hun ouders die misschien nog tot isolement neigen en de wijdere samenleving. In die interactie zien we positieve en negatieve uitschieters. Sommigen ontwikkelen zich bovenmate en klimmen hoog op de maatschappelijke ladder. Anderen radicaliseren hun verzet tegen de samenleving. Beide zijn echter vormen van interactie met de samenleving en horen dus bij het integratieproces.

De derde stap ten slotte zouden we voltooide integratie of beter nog participatie kunnen noemen. Dat is niet per se assimilatie aan de dominante cultuur; vaak worden juist nog eigen elementen van cultuur en religie bewaard. Maar op relevante maatschappelijke punten is er geen wezenlijk onderscheid meer. Opleidingsniveau, sociaal-economische positie en omgang met de rechtstaat verschillen niet wezenlijk van andere groepen.

Vaak voltrekt dit proces zich in drie generaties, maar er zijn ook voorbeelden waar een groep in de eerste of tweede fase blijft steken. Dat heeft nadelen, maar ook die twee fasen zijn al vormen van integratie. Met alle onderlinge verschillen geldt het voor onze immigranten uit Turkije, Marokko, Suriname, en daarvoor de Molukken, Italië, enzovoorts. Het is ook te herkennen hij Nederlandse immigranten in de VS. Oftewel: het is hoe integratie gewoon verloopt.

Dat wil niet zeggen dat er geen problemen zijn, maar die hebben met integratie niet zo veel te maken (laat staan met de Islam…). Er zijn problemen met bepaalde groepen jongeren, er zijn problemen met sociaal-economisch achtergestelde groepen. En juist bedreigde groepen kunnen makkelijk de ander als zondebok zien.

We doen soms alsof Nederland altijd een samenhangend volk was met een hechte identiteit. Niets is minder waar. De afgelopen eeuw stond in het teken van de verzuiling, een pragmatische maar ook machteloze oplossing voor de spanning tussen bevolkingsgroepen die elkaar in de weg zaten. Met name de katholieken hebben lang nodig  gehad om te emanciperen en erkend te worden als gelijkwaardige Nederlandse burgers. De Nederlandse identiteit is er altijd een geweest van duwen en trekken om al die verschillende groepen – met altijd ook immigranten – naast en met elkaar te laten leven. What’s new?

Identiteitsspelen

Dat we van integratie een probleem hebben gemaakt, hangt samen met identiteitsstrategieën die gevoerd worden om om te gaan met het verschil tussen ‘wij’ en ‘zij’. De amsterdamse antropoloog Gerd Bauman beschrijft drie van de basisvormen daarvan, die zeer herkenbaar zijn in het publieke en politieke debat.

De eerste vorm noemt hij oriëntalisme. Dit is de simpele tegenoverstelling waarbij wij vooral goed zijn en zij slecht. Wij zijn georganiseerd en schoon, zij zijn rommelig en vies. Wij zijn beschaafd en redelijk, zij zijn primitief en onredelijk. Wij voeden onze kinderen goed op en zijn tolerant, zij niet. Enzovoorts. Maar omdat dat net te zwart wit is, bedenken we ook altijd iets waarin zij beter zijn. Zij zijn sportiever, kunnen beter dansen, of hebben een hechtere familieband. Maar over het geheel genomen zijn wij beter.

De tweede vorm is ingewikkelder. Hier accepteren we dat zij er ook bij horen. Zij zijn net zo als wij, alleen een beetje anders. Dat betekent dat zij mee mogen doen, zolang ze net zo doen als wij. Aanpassen dus. Immers, wij en zij horen samen bij de samenleving, maar de samenleving wordt bepaald door wij. Dus is iemand geïntegreerd als hij of zij hetzelfde is geworden, niet meer opvalt. Dit is een ruimhartige vorm van de ander insluiten, maar wel een waarin de dominante groep het wij bepaalt en de stem van de ander feitelijk gesmoord wordt. Als zij zich daartegen gaan verzetten – emanciperen – dan kiezen ze vaak eerst voor de tegenstellingen van het eerste identiteitsspel: Nee, wij zijn niet zoals de dominante groep, wij zijn anders.

In de derde vorm van het identiteitsspel worden de verschillen en de overeenkomsten erkend doordat er op verschillende niveaus gespeeld wordt. Ja, er is verschil tussen Turkse en Marrokaanse Nederlanders, maar als Oranje speelt zijn ze vooral Nederlandse supporters. Ieder mens kan zich met allerlei identiteiten verbinden en afhankelijk van de situatie de ene of de andere meer op de voorgrond plaatsen.

Het is dan ook een politieke keuze om de samenleving langs de ene of de andere lijn in te delen. Alle tweedelingen die we maken, zijn een constructie die we aan mensen opleggen en waarin we hen aanspreken op een bepaald deel van hun bestaan. Autochtonen-allochtonen, religieuzen-seculieren, werkenden-niet-werkenden, het zijn indelingen waarbij mensen nu eens in de ene en dan weer in de andere categorie vallen.

De afgelopen tien jaar hebben we ons mee laten nemen in de tweedeling autochtoon-allochtoon, want dat zit besloten in het woord integratievraagstuk. Daarmee hebben we de wereld lekker overzichtelijk gemaakt. Wij en zij. Nederland is van ons, en zij mogen erbij als ze zich gedragen. En daarmee hebben we een tweedeling laten ontstaan en een integratieprobleem veroorzaakt.

Waarschijnlijk is integratie typisch zo’n ‘probleem’ dat zichzelf oplost als je het niet te veel stoort. Dat geldt niet voor armoede, uitsluiting, onrecht en het creëren van sociale tegenstellingen, zaken die al snel onzichtbaar worden in het integratiedebat. Daar zou het beleid dan ook veel meer op gericht moeten zijn. Geen identiteitsangst, maar spelen met de diversiteit. En aanpakken van echte problemen waar mensen – nieuwkomers en oudblijvers – werkelijk last van hebben.

Identiteit

Waarom hebben we dan de afgelopen vijftien jaar van integratie een probleem gemaakt?

Advertenties

Reacties staat uit voor Waarom we van integratie een probleem maken

Opgeslagen onder Integratie

Reacties zijn gesloten.