Commissie Deetman: goed begin, maar ik mis een schakel

Het onderzoeksvoorstel dat Deetman gepresenteerd heeft, kan een belangrijke stap vooruit zijn. Maar er blijft wel wat te wensen over: inzicht in de verschillende typen daders en hoe die zich verhouden tot het systeem.

Vrijdag 7 mei presenteerde Wim Deetman het voorstel hoe hij denkt met een groep wetenschappers het seksueel misbruik in rooms-katholieke kring te onderzoeken. Daarbij gaat het niet alleen om de internaten die zo in opspraak zijn gekomen, maar ook om bijvoorbeeld misdienaars die door parochiepriesters misbruikt zijn. Het wordt een breed en omvattend onderzoek – de onderste steen boven – dat hopelijk zal bijdragen aan erkenning voor de slachtoffers en aan loutering van de kerk. Daarmee kan ook weer gebouwd worden aan de geloofwaardigheid van de kerk.

Wat mij positief opvalt in het onderzoek en de presentatie, is dat Deetman zorg voor de slachtoffers voorop stelt. Dat lijkt me van groot belang. Een van de ingrijpende aspecten van seksueel misbruik is dat het slachtoffer geobjectiveerd wordt, dat zijn of haar eigen wensen en grenzen er niet toe doen. Een van de risico’s bij een onderzoek als dit is dat opnieuw over de grenzen van slachtoffers heen gegaan wordt, dat zij er opnieuw niet toe doen. Daarom is het goed dat zij vooral voorop staan met hun verhalen en behoeften aan zorg.

Positief is ook de breedte van het onderzoek. De hele naoorlogse periode wordt meegenomen, het hele kerkelijk leven, enzovoorts. Er is nog wel een beperking aangebracht in de zin dat het alleen om minderjarige slachtoffers gaat, terwijl we weten dat seksueel misbruik van kwetsbare en pastoraal afhankelijke volwassenen ook een serieus thema is. Daar spelen voor een deel andere factoren mee (zowel juridisch als psychologisch), en ik kan me daarom wel voorstellen dat de commissie dit laat rusten, maar dat blijft wel een los eindje.

Ik ben ook blij met de breedte van de beoogde onderzoekscommissie, al ben ik wel benieuwd naar de redenen voor de bemensing. Daar is ook niet precies achter te komen, want de links die Deetman geeft om hun CV te lichten, verwijzen meestal naar algemene pagina’s waar het niet of nauwelijks mogelijk is meer informatie over de persoon te vinden. Bij sommige kandidaat-leden is het direct duidelijk wat hun expertise is. Nel Drayer is bij uitstek deskundig op het terrein van slachtoffers van seksueel misbruik, vooral in gezinsverband, en in eerste instantie vooral bij meisjes. Marit Monteiro is zeer goed thuis in de geschiedenis van de katholieke instituten. Harald Merckelbach is forensisch psycholoog en dat kan ook geen kwaad. Wat hij met dit onderwerp heeft, kan ik niet achterhalen. Dat geldt nog meer voor Pieter Kalbfleisch van de NMA, voorheen rechter (familie- en jeugdrecht). En Gerard de Vries (UvA en WRR) is filosoof, gespecialiseerd in het grensvlak van technologie, wetenschap en ethiek. Het zijn vast goede mensen en wetenschappers, maar ik kan bij de heren niet ontdekken wat hun bijzondere expertise is voor dit onderwerp. Dat geldt natuurlijk ook voor de voorzitter, Wim Deetman zelf. Een kundig bestuurder, breekijzer soms, die ook in staat is een betrokken pastorale toon neer te zetten. En handig op het snijvlak van kerk en politiek. Dat is natuurlijk allemaal van belang voor een voorzitter.

Maar dan is het toch wat vreemd dat er geen mensen in zitten die specifiek verstand hebben van het grensgebied tussen religie en seksueel misbruik, van de psychologische kanten van priesterschap en celibaat.

De belangrijkste missende schakel zit echter voor mij in het voorstel zelf. Het eerste deelonderzoek probeert de aard en omvang van het misbruik (kwantitatief) in kaart te brengen. Dat is een heikele klus, maar wel van groot belang. Vervolgens wordt de historische en sociologische achtergrond onderzocht, waarbij vooral gekeken wordt naar de zwijgcultuur, het celibaat, de eigen aard van internaten en dergelijke, en de manier waarop bestuurlijk verantwoordelijken gereageerd hebben. Het is interessant dat het bestuurlijk-juridische deel vervolgens minutieus is uitgewerkt in deelvragen, met nog een aparte subparagraaf over het ambtsgeheim.Ten slotte is er een derde deel dat vraagt hoe de opvang van slachtoffers en afhandeling van klachten verloopt en misschien kan worden verbeterd.

Wat ik mis in het onderzoeksvoorstel is een analyse van het daderschap. Dat is van belang omdat verschillende typen daderschap op een verschillende manier zouden kunnen samenhangen met het kerkelijk systeem en in elk geval een ander soort beleid veronderstellen. Ik verwacht dat er in de verhalen drie typen tevoorschijn komen. Er is een groep ‘echte pedoseksuelen’ bij wie het primaire motief seksueel is. Deze daders zoeken een functie en situatie waarin ze toegang hebben tot kinderen. Screening en supervisie zijn hier de beleidsmaatregelen om misbruik te voorkomen. Daarnaast is er een groep voor wie het primaire motief macht is. Wanneer zij de gelegenheid krijgen, zullen ze vernedering (ook seksueel) inzetten. Ook hier draait het om screening en supervisie. Er is echter nog een derde groep daders, bij wie het primaire motief een behoefte aan intimiteit is. Wanneer deze behoefte in de ontwikkelingsjaren niet op een goede manier is gerijpt en wanneer mensen niet leren daar volwassen mee om te gaan, dan kan het heel erg mis gaan.

In veel verhalen die ik hoor over misbruik op de internaten, komt dit beeld naar voren. Jongens werden vaak al vanaf het begin van hun puberteit klaargestoomd voor het priesterschap, met weinig oog voor hun behoefte aan intimiteit en een repressieve houding ten opzichte van hun ontluikende seksualiteit. Van een vrijwillige keuze voor een celibatair leven was soms nauwelijks sprake. En vervolgens werden ze verantwoordelijk voor de zorg van jongens in dezelfde kwetsbare leeftijd waarin zij zelf gerekruteerd waren. Daarmee werd deze ‘tragische’ groep daders een groot risico.

Ik ben erg benieuwd naar de analyse van deze typen daderschap in alle verhalen van misbruik. Het zou meer reliëf geven in wat we weten van het misbruik. Maar het stelt vooral ook een andere vraag naar de verantwoordelijkheden. Want natuurlijk is elke dader zelf verantwoordelijk voor zijn daden. Maar bij de derde groep komt daarbij de vraag in hoeverre zij vastgelopen zijn door het systeem waar ze in zaten. Dan is ook de oplossing niet alleen screening en supervisie, maar ook het bijdragen aan gezonde persoonlijke en seksuele ontwikkeling van jongeren.

Advertenties

Reacties staat uit voor Commissie Deetman: goed begin, maar ik mis een schakel

Opgeslagen onder seksueel misbruik

Reacties zijn gesloten.