Blasfemie als verzet en vroomheid

Met enige regelmaat laait de discussie op over godslastering. Gelovigen willen worden beschermd tegen kwetsende uitlatingen van anderen. Anderen vinden het onterecht dat religies speciale bescherming krijgen. En inmiddels lijkt er een kamermeerderheid voor afschaffing van het verbod. Maar dat blasfemie ook een religieuze functie heeft, dat hoor ik niet zo vaak…

Religie is zo oud als de menselijke cultuur. Blasfemie ook. De spanning tussen die twee komt in veel samenlevingen met een zekere regelmaat naar boven. Op een symposium vandaag bij de Universiteit Utrecht beschreef de historicus David Nash (Oxford) hoe dat in de afgelopen eeuwen in de westerse samenleving verliep. Hij vertelt hoe in de middeleeuwen blasfemie vooral gezien werd als een individuele aanval op het gezamenlijk goed van de samenleving. De godslasteraar wordt beschouwd als een bedreiging van de heilige ordening, en daarom was het vaak nauw verbonden met ketterij. Soms interpreteerde men dat nogal magisch, en zag men de gevolgen van blasfemie in epidemieën en rampen (God straft onmiddellijk), soms ook was men wat pragmatischer en maakte men zich vooral zorgen over de handel (herkenbaar in de Fitna-discussies!). De straf was vooral gericht op het beschamen en uitsluiten van de godslasteraar om zo de gemeenschap te zuiveren en te beschermen.

Sinds de Verlichting gaat men heel anders met blasfemie om. Nu wordt het meer gezien als een aanval op de religieuze sentimenten van een bepaalde (dominante) groep. Zo zijn veel wetten in westerse landen vooral of alleen gericht op het christendom (en daar dan de mainstream van) en zijn andere religies juridisch vogelvrij. Dat betekent wel dat blasfemie niet meer gezien wordt als aanval op de samenleving waar we allemaal alert op moeten zijn, maar als een persoonlijke aanval waar de gelovige een klacht over mag indienen. De straf (als die al wordt opgelegd) heeft vooral te maken met opgelopen schade.

In de moderne tijd, aldus Nash, lijken we in sommige opzichten terug te gaan naar de middeleeuwen. De ‘heilige’ gronden van de samenleving worden bedreigd door blasfemie en daarom komen onder meer orthodoxen en fundamentalisten steeds scherper in het verweer. Daarbij beroepen ze zich niet per se op persoonlijk gekwetst zijn, maar meer op de dreiging voor onze samenleving als we alles maar tolereren.

Nash geeft een boeiende analyse, maar ik vraag me wel af of die derde fase een terugkeer is naar de eerste. Ik zie een paar grote verschillen. Om te beginnen was de gemeenschap toen nogal uniform, terwijl de samenleving nu geglobaliseerd en pluraal is. Dat betekent dat het verzet tegen blasfemie ook niet meer namens die hele samenleving is, maar namens een relatief kleine religieuze groep (die wel claimt namens velen te spreken, maar dat feitelijk niet doet).

In een onderzoekje dat ik zelf een paar jaar geleden deed naar een petitie tegen een als blasfemisch aangeduide reclame van Versatel, bleken de ondertekenaars drie soorten motieven te hebben. Ongeveer een derde uitte vooral afkeer zonder nadere omschrijving. Het lijkt er op dat voor hen vooral een taboe werd doorbroken, wat wijst op een magische houding (of op een populistische, maar dat sluit elkaar zeker niet uit). Het is in elk geval pre-rationeel en past waarschijnlijk in het premoderne model van Nash. Ook ongeveer een derde van de motieven is te beschrijven met woorden als gekwetst of beledigd, waarbij het dus gaat om het persoonlijke sentiment (het Verlichtingsmodel van Nash). En het restant ging met name in op theologische aspecten: ‘het klopt niet met de bijbel’ bijvoorbeeld, of ‘ik wil wel getuigen van wie God echt is’. Alleen al die verschillende motieven maken duidelijk dat een simpele interpretatie van blasfemie-klachten de zaak geen recht doet.

Maar eigenlijk roept de hele zaak bij ook andere vragen op: wat is het nut van blasfemie – en van het verzet ertegen? Waarom steken mensen er hun energie in om het geloof van een ander aan te vallen of zich daar druk om te maken? Wat geeft het als iemand gelooft in iets wat jij onzin vindt of andersom als iemand onzin vindt wat voor jou heilig is? En wat geeft je het recht om je dat zo aan te trekken dat je diep gekwetst bent en je recht wilt halen? Meer en meer denk ik dat dat vooral een kwestie is van ‘identity politics’, dat wil zeggen pogingen van een groep die zichzelf gemarginaliseerd en bedreigd voelt  om de eigen identiteit te versterken tegenover de ander. De een neemt zijn toevlucht tot vileine woorden en beelden ‘omdat de vrijheid van meningsuiting in het geding is’. De ander reageert geschokt op woorden en beelden ‘omdat de godsdienstvrijheid in het geding is’. Beiden spelen een retorisch spel: ze definiëren zichzelf als de kwetsbare partij wiens rechten bedreigd zijn, en gebruiken dat om de ruimte van de ander in te perken. Daarom zijn juridische processen over godslastering ook bijna altijd zinloos. Wat er echt op het spel staat, is iets heel anders: de vraag naar het samen kunnen leven met verschil. En daarbij moeten beide acties (blasfemie en verzet) in samenhang worden gezien. Het een kan niet zonder het ander. Ze ontlenen hun bestaansrecht aan elkaar en ze helpen elkaar aan een sterkere identiteit.

Die wederzijds afhankelijkheid van blasfemie en verzet daartegen heeft er mee te maken dat blasfemie ook nog een heel andere, vruchtbare, kant heeft. Elke hervormingsbeweging is vroeger of later beticht van zoiets als blasfemie. Zelfs Jezus kreeg die kritiek omdat hij inging tegen de dominante structuren van zijn tijd. Blasfemie is dan ook niet alleen een maatschappelijk ongemak, het is ook een religieuze innovatie. En het is bijna altijd ook verzet tegen de schaduwkanten van een religieuze traditie. Natuurlijk probeert de religieuze leiding zich dat verzet van het lijf te houden, en een van de strategieën daarvoor is het beschrijven van de kritiek als blasfemie. Maar het zou veel vruchtbaarder zijn om de kritiek serieus te nemen en zo de religie zelf te zuiveren. Cartoons over Mohammed met een bom of over priesters met kleine jongetjes, verhalen over seks met God in de gedaante van een ezel, het zijn schokkende maar ook noodzakelijke bijdragen aan religieuze tradities die willen meegroeien met de samenleving en daarom gezuiverd moeten worden van hun negatieve aspecten. Ten diepste zijn het betrokken, gepassioneerde, en daarmee vrome uitingen van geloof in het goede, ook als de vorm meer weerstand dan gesprek oproept.

Advertenties

Reacties staat uit voor Blasfemie als verzet en vroomheid

Opgeslagen onder Religie

Reacties zijn gesloten.