Als grondrechten in het geding zijn, is religiekritiek terecht

Uitgebreide versie van het artikel op Trouw Podium, 26 oktober 2010
Ruard Ganzevoort en Dick Pels, voorzitter De Linker Wang, platform voor geloof en politiek binnen GroenLinks; directeur Wetenschappelijk Bureau GroenLinks

-.-

De lezing van Femke Halsema over godsdienstvrijheid en religiekritiek heeft veel losgemaakt. Haar opponenten lukt het niet uit een verlammende polarisatie te komen.

Aan de ene kant vinden we mensen als André Rouvoet die met haar de godsdienstvrijheid beschermen, maar onmiddellijk in de verdediging schieten als religiekritiek op tafel komt. Aan de andere kant vinden we mensen als Geert Wilders die de kritiek direct steunen (vooral op de islam), en daar de godsdienstvrijheid voor willen offeren. De eersten zeggen dat religie een positieve maatschappelijke kracht vertegenwoordigt, de laatsten benadrukken vooral de problemen. Beide nemen genoegen met een halve waarheid, en daarmee met een leugen.

In zijn column in Trouw van afgelopen zaterdag ontkomt ook Hans Goslinga niet aan deze tweedeling. Zijn historische analyse van het ontstaan van het evenwicht in het religiedebat ontspoort als hij concludeert dat Halsema dicht in de buurt van Wilders komt. Maar Halsema beschermt – anders dan Wilders – het recht van bijvoorbeeld moslims om hun geloof te beleven en vorm te geven. Ze is ook volstrekt duidelijk dat haar kritiek op religie niet alleen de islam treft – ook al is daar de kritiek het urgentst.

Hoe kan het dat Goslinga dat niet ziet? Misschien komt het doordat hij in zijn historische analyse vooral kijkt naar het machtsevenwicht toen en nu. Daar kijkt ook Rouvoet steeds naar als hij pleit voor een constitutionele discussie. Maar dat is bij Halsema niet de drijfveer. Haar partij maakt zich sterk voor de positie van minderheden en kwetsbare groepen.

Als vrouwen in de islam of in het orthodox-protestantisme beperkt zijn in hun ontplooiingsmogelijkheden en hun passief kiesrecht, dan verdient dat kritiek omdat fundamentele grondrechten, mensenrechten, in het geding zijn.

Als homoseksuele jongeren, vooral met een religieuze achtergrond, veel en veel vaker zelfdoding overwegen, dan verdient dat religiekritiek omdat daar kennelijk schadelijke boodschappen klinken.

Deze kritiek mag niet van tafel worden geveegd met een beroep op godsdienstvrijheid. Het is wel erg makkelijk om te roepen dat deze vrouwen of homo’s zelf helemaal niet bevrijd willen worden.

Elma Drayer laat in haar stuk over hoofddoekjes (Letter & Geest, zaterdag) terecht zien dat dezelfde argumenten onaanvaardbaar zouden zijn als ze racistisch waren gekleurd in plaats van seksistisch of heteroseksistisch.

Femke Halsema beschrijft het smalle pad dat GroenLinks bewandelt: beschermen van religie en tegelijk kritisch aan de kaak stellen van misstanden. Godsdienstvrijheid is van groot belang, maar niet als vloerkleed waar onderdrukking en groepsdwang onder kunnen worden geveegd. Mag Rouvoet zijn dochter mee naar de kerk nemen? Ja, natuurlijk. Mag hij haar in naam van het geloof verbieden een opleiding te volgen of zich verkiesbaar te stellen? Nee, natuurlijk niet. Het is vreemd dat hij dat verschil niet ziet (of wil zien).

In deze noodzakelijke combinatie van godsdienstvrijheid en religiekritiek heeft ook de overheid een rol. Maar daarin moeten we wel drie lagen onderscheiden. De eerste is die van het morele debat, waarin de overheid actief de kernwaarden van de democratie uitdraagt. Dan gaat het dus om mensenrechten en grondrechten. Daar mag men over discussiëren, maar de overheid verdedigt die uitgangspunten wel. Dat doet ze als ze andere landen aanspreekt op geweld tegen (bv religieuze) minderheden, dat doet ze ook als ze opkomt voor de gelijkberechtiging van homo’s, vrouwen en allochtonen hier in Nederland.

De tweede laag is die van beleid: subsidies, ondersteuning van kwetsbare groepen, richtlijnen voor de invulling van het onderwijs, enzovoorts. Daarin draait het heel vaak om maximale vrijheid voor burgers om hun eigen organisatie, school, of wat ook op te zetten, gecombineerd met kritische zorg voor de democratische waarden en de bescherming van kwetsbare mensen daarbinnen.

De derde laag is die van de wetgeving. Uiteindelijk kan het nodig zijn in het grijze gebied van deze discussie in wetten vast te leggen waar de speelruimte ophoudt. Daar kan ook de rechter zich over uitspreken, zoals bij het SGP-proces. Maar dat is altijd hooguit de laatste stap. Echte verandering ontstaat niet door wetgeving, maar door mentaliteitsverandering.

Natuurlijk is het makkelijker om de vragen rond godsdienstvrijheid en religiekritiek zwart-wit te benaderen. De uitkomst daarvan is simpel: of je zet eenzijdig in op godsdienstvrijheid en verliest net als Rouvoet het recht om nog iets aan misstanden binnen religieuze groepen te doen, of je zet helemaal in op kritiek en verliest net als Wilders het recht om welke religie, levensovertuiging of meningsuiting ook te verdedigen. Een halve waarheid keert zich altijd tegen je.

Advertenties

Reacties staat uit voor Als grondrechten in het geding zijn, is religiekritiek terecht

Opgeslagen onder Uncategorized

Reacties zijn gesloten.