Fennema begrijpt weinig van religie

Tot twee maal toe mocht Meindert Fennema in de Volkskrant betogen dat monotheïstische religies zich niet verdragen met de democratische rechtsstaat vanwege de ‘goddelijke bevelstheorie’ die ze aanhangen. Daarmee laat hij vooral zien weinig te begrijpen van religie.

Op 26 december voert hij een pleidooi voor een seculiere staat. Daarbij verzet hij zich tegen die stemmen die de joods-christelijke traditie zien als achtergrond van de westerse rechtsorde en menen dat de islamitische wetten daar niet in passen. Hij sluit zich kritiekloos aan bij Paul Cliteurs The Secular Outlook die meent dat ook jodendom en christendom geen positieve bijdrage kunnen leveren aan de democratie. Alle drie de godsdiensten baseren zich immers op een ‘goddelijke bevelstheorie die de morele autonomie van de mens ontkent’.

Om deze redenering te onderbouwen, veegt Fennema het een en ander bij elkaar: Zowel Bolkestein en de PVV als hun tegenstander Rob Riemen (De eeuwige terugkeer van het fascisme) verdedigen onze joods-christelijke cultuur, de eersten tegen de islam, de laatste tegen plat populistisch fascisme. Daarna volgt een rommelig stukje over de kritiek van zowel elitaire humanisten als fascisten op de massacultuur en een zin over Ella Vogelaar en de haren die de sociale democratie in het verlengde zien van de joods-christelijke traditie en daar ‘de islamitische traditie aan toevoegen’. Dat alles leidt tot de conclusie: ‘Wij staan dus voor de keuze tussen een “seculiere staat” die zich niet uitspreekt over waarden, maar alleen over normen (die van de procedurele democratie en de rechten van de mens) en de “joods-christelijke staat”, die zijn culturele waarden verdedigt tegen hetzij de islam, hetzij het xenofobe “populisme”.

Achter die vraag, zo nog steeds Fennema, speelt de cultuurhistorische kwestie of onze situatie zich laat verstaan in het model van de Amerikaanse revolutie waar de christelijke traditie uitmondde in de liberale rechtsstaat of in het model van de Franse revolutie waar de rechtsstaat tot bloei kwam dankzij emancipatie uit de christelijke traditie. Terwijl in Frankrijk één dominante kerk bestond, kende Amerika vanaf het begin een sterk religieus pluralisme.

En dan keert Fennema terug naar zijn kernvraag: Is alleen de islam een bedreiging voor de rechtsstaat, zoals sommigen betogen, gesteund door het islamitisch geweld van het afgelopen decennium? ‘Of is zij één van de drie abrahamitische religies die naar hun aard botsen met de democratische rechtsstaat, omdat zij de morele autonomie van de mens ontkennen?’ Om te concluderen: ‘Mij dunkt dat het perspectief van een seculiere staat inderdaad het beste antwoord is op de religieuze en exclusivistische eisen die aan de overheid gesteld worden.’

Op 30 december mag hij nog een keer. Hij reageert dan – nogal smalend – op een drietal reacties. Dick Lieftink had betoogd dat de kern van religies compassie is en dat dat prima samengaat met de rechtsstaat, wat Fennema ten onrechte interpreteert als moreel superioriteitsgevoel. En Frans Hoppenbrouwers, die wees op ontspoorde seculiere staten, wordt afgeserveerd. Alleen René Meijer die als hindoe wees op de niet-monotheïstische religies, krijgt een pluim: ‘Religies zoals de uwe conflicteren dus niet met onze democratie. Religies die zich baseren op het Oude Testament, het Nieuwe Testament of de Koran doen dat wel.’

Het grote probleem met de redenering van Fennema is dat hij geen enkel inzicht lijkt te hebben in de complexiteit en innerlijke pluraliteit van religies. Er is niet zoiets als ‘de islam’ of ‘het christendom’. Elke religieuze traditie bestaat uit een waaier van houdingen en perspectieven. Sommige daarvan staan op gespannen voet met de principes van de democratische rechtsstaat, andere hebben er door de tijden heen vruchtbaar aan bijgedragen. Wie dat alles in een greep neemt, komt terecht bij dit soort sweeping statements en dus bij onzin.

De gedachte dat monotheïsme leidt tot onverdraagzaamheid (en eventueel geweld) is ook zo’n generalisering en versimpeling die alleen maar onwaar kan zijn. Alsof er geen hindoeïstisch of boeddhistisch geïnspireerd geweld is? Er zijn de laatste jaren verschillende goede boeken verschenen die de hele range  van religieus terrorisme in kaart brengen en die het idee van de monotheïstische oorsprong logenstraffen. Het probleem zit niet in het monotheïsme. Het probleem zit in absolutisme en fundamentalisme. En dat hangt nauw samen met de machtspositie van religie, zoals Fennema’s voorbeelden van de Franse en Amerikaanse revolutie laten zien. Waar in Frankrijk religieuze instituten structurele macht hadden, was emancipatie van religie nodig om de liberale democratie te ontwikkelen. In Amerika speelde dat geen rol en kon de plurale religie veel vrijer bijdragen aan de individuele ontplooiing van burgers en dus aan de moderne rechtsstaat.

Misschien helpt een parallel: Het is onzin om te beweren dat stalking en verkrachting een rechtstreeks gevolg zijn van monogamie. Dat wil niet zeggen dat er totaal geen verband is. Het idee van monogamie hangt nauw samen met een romantische fixatie op die ene ander, en dat kan obsessieve vormen aannemen die leiden tot stalking en verkrachting (zeker als de ander niet wil). Maar het getuigt wel van een erg misvormde kijk op de liefde om te denken dat monogamie de oorzaak is.

En de ‘goddelijke bevelstheorie’ dan? Het lijkt zo logisch dat die zich niet verdraagt met de liberale democratie. Toch is ook dit een onzin-argument. Ten eerste geeft Fennema het verkeerd weer. De ‘goddelijke bevelstheorie’ betekent niet dat mensen willoze wezens zijn die hun morele autonomie opofferen aan goddelijk gezag. Het is een meta-ethische theorie die probeert te verklaren waarom sommige zaken goed zijn en andere niet. Dat heeft maar zeer ten dele met individuele morele autonomie te maken. Ten tweede is het onjuist te beweren dat deze theorie tot het hart van de monotheïstische religies behoort (en niet tot de andere). Dat geeft Fennema in zijn laatste zinnen ook toe: ‘Christenen die zich met de democratie identificeren, hangen geen goddelijke bevelstheorie aan.’ Kennelijk kan men christen zijn zonder deze theorie te volgen. Maar dan vervalt de absolute claim van Fennema. Ten derde kan men heel goed geloven in een goddelijke bevelstheorie en bovendien bereid zijn om in het persoonlijk leven de keuzes ondergeschikt te maken aan wat God wil (geloofsgehoorzaamheid) zonder dat dat iets afdoet aan de eigen morele autonomie of aan de leefruimte die men toestaat voor anderen. Sommige radicale gelovigen hebben zich juist sterk gemaakt voor religieuze verdraagzaamheid. En ook in ons politieke bestel dragen sommige sterke religieuze inspiraties bij aan de op mensenrechten gegronde rechtsstaat. Niet elke religieuze toewijding vervalt in absolutisme en geweld.

Al deze kritiek doet niets af aan de voorkeur voor een seculiere staat, die ik met Fennema deel. Juist in een religieus plurale samenleving dient de staat neutraal te zijn – in de zin van: geen privileges geven aan een bepaalde levensbeschouwing of levenshouding. Laat Fennema vooral blijven schrijven over hoe we in zo’n samenleving met elkaar omgaan en welke rol de staat daarin kan spelen. Maar laat hem ophouden over religie, want daar heeft hij kennelijk empirisch, religietheoretisch en historisch weinig verstand van.

Advertenties

Reacties staat uit voor Fennema begrijpt weinig van religie

Opgeslagen onder Religie

Reacties zijn gesloten.