Ná de ‘School met den Bijbel’ – artikel 23 in 2011

Op 9 april organiseren De Linker Wang, Dwars, en de werkgroep Onderwijs van GroenLinks een studiedag over ‘Vrijheid van Onderwijs’. Met het oog daarop schreef ik in het blad van De Linker Wang het volgende stuk:

Mijn kinderen hebben op christelijke scholen gezeten. Tenminste, voor het grootste deel. Bij de vervolgopleidingen keken zij (en wij als ouders) meer naar de beschikbaarheid dan naar de identiteit. En ik werk ook zelf niet in de eerste plaats bij een christelijke universiteit op grond van die confessionele identiteit. Schoolkeuze heeft vaak te maken met praktische redenen en met positieve verhalen van anderen over de sfeer of de onderwijskwaliteit. Identiteit speelt vaak een kleinere rol.

Hoewel… Soms gaat het ook om de vertrouwde omgeving waar je je kinderen in wilt laten delen. Toen ik jaren geleden als predikant in de running was voor een vacature in het oosten van het land, dachten de kerkleden mij enthousiast te krijgen met de mededeling dat de kinderen op de kleuterschool psalmen leerden. In de Oude Berijming. Dat was misschien aan ons niet zo besteed, maar het past wel in een ideaal om school, kerk en gezin qua inhoud en sfeer naadloos op elkaar af te stemmen.

Precies die afstemming is steeds moeilijker geworden. De vanzelfsprekendheid waarmee allerlei levensterreinen bij elkaar pasten, is met het afbreken van de verzuiling verloren gegaan. Het verschil tussen openbaar, christelijk en katholiek (zo simpel was de wereld nog in te delen) is vervaagd. Vaak is de relatie tussen de verschillende levenssferen vervaagd. Scholen en kerken proberen ouders en elkaar te betrekken bij een gezamenlijke bijdrage aan de religieuze vorming van de kinderen. Dat blijft moeizaam om de simpele reden dat de overlap van kerk en school beperkt is.

Vandaag de dag zijn de meeste christelijke scholen gematigd in het uitdragen van hun identiteit. Of misschien moeten we zeggen: verlegen. Wanneer een belangrijk deel van je leerlingen geen christelijke achtergrond heeft, dan wordt het een hele zoektocht hoe die identiteit dan gestalte krijgt. Kom je dan nog wel veel verder dan algemeen menselijke waarden als eerlijkheid en respect? En als dat niet zo is, wordt het dan geen tijd het label ‘christelijk’ te schrappen?

Deze en soortgelijke vragen komen aan de orde op de studiedag van 12 april over Artikel 23 en ook elders in dit nummer. Ik wil hier inzoomen op de dragers van die identiteit, de leerkrachten. Zij geven dag in dag uit vorm aan het onderwijs en belichamen in die zin ook de identiteit van de school. Leerkrachten kunnen in het dagelijks omgaan met leerlingen hun eigen inspiratie (christelijk of anderszins) vormgeven en voorleven. Daar hoeft geen drang of dwang in te zitten – in de omgang krijgt de inspiratie gestalte.

Daar ligt de kracht van de levensbeschouwelijke identiteit van het onderwijs. Maar daar ligt ook de kwetsbaarheid. Als mijn beeld klopt, dan zijn er globaal drie typen docenten. Het eerste type betreft die leerkrachten die zich vooral geroepen ziet om het eigen geloof uit te dragen. Zij zetten zich nadrukkelijk in voor een versterking van bijvoorbeeld het christelijk profiel. In de kern zien ze het onderwijs als een belangrijk middel om kinderen te winnen voor een bepaalde levensbeschouwing. En omdat ze vaak leerlingen uit allerlei verschillende achtergronden voor zich krijgen, is de grens tussen onderwijs en evangelisatie enigszins dun geworden. Dit eerste type is de belijder.

Het twee type docenten is zelf zozeer deel van de moderne veelkleurigheid dat ze niet zo’n scherpe positie kunnen of durven innemen. Het idee dat hun visie op het leven de enige of beste visie is, hebben ze al lang achter zich gelaten. Een echt antwoord op de pluraliteit hebben ze ook niet, en daarom beperken ze zich tot onschuldige en neutrale ‘overdenkingen’ of ‘dagopeningen’. Dat is niet bij deze groep niet vanuit een sterke visie op onderwijs en levensbeschouwing, maar uit verlegenheid: wie doorvraagt, komt al gauw terecht bij de levensbeschouwelijke onzekerheid van de leerkracht zelf. Daarom noemen we dit tweede type de vermijder.

Het derde type kunnen we de begeleider noemen, maar ik vrees dat het hier om een kleine groep gaat. De begeleider is er niet op uit het eigen geloof uit te dragen. Evenmin probeert zij of hij uit onzekerheid religie en levensbeschouwing te minimaliseren. De begeleider heeft de innerlijke vrijheid om levensbeschouwelijke thema’s aan de orde te stellen en de verschillen tussen mensen en groepen centraal te stellen. Volgens mij hebben we in onze post-verzuilde samenleving vooral veel leerkrachten van dit derde type nodig. Mensen die zich niet verschansen in hun eigen overtuiging, maar ook niet machteloos de religieuze vragen vermijden. Als we leerlingen willen voorbereiden op het leven in een plurale samenleving, dan zullen de leerkrachten daar vruchtbaar mee om moeten kunnen gaan.

Inmiddels zoeken verschillende PABO’s samen met openbare en protestants-christelijke scholen naar modellen voor levensbeschouwelijke vorming die hierbij passen. Niet neutraal, maar met ruimte voor verschil. Daar ligt volgens mij de toekomst. Onderwijs is immers de uitdaging aan leerlingen om te worden wie ze kunnen zijn, ook in religieus opzicht.

Advertenties

Reacties staat uit voor Ná de ‘School met den Bijbel’ – artikel 23 in 2011

Opgeslagen onder Religie

Reacties zijn gesloten.