Eurofielen, Eurofoben en de les van 1815

(Joop.nl  09.07.2012)

Europa is een belangrijk thema in de recente politieke discussies. Het wordt zeker ook een thema in de komende verkiezingen. Het gaat al lang niet meer alleen over de vraag of partijen links of rechts zijn; het gaat ook over de vraag hoe ze over Europa denken. Sommigen zien Europa zelf als het probleem, anderen zijn op zijn minst sceptisch, weer anderen zien ‘meer Europa’ als de oplossing van de problemen. En dus gaat het debat over het verlies van soevereiniteit, de macht van Brussel, enzovoorts.

Het is niet voor het eerst dat dit soort vragen op tafel ligt in politiek Den Haag. Er is namelijk een interessante overeenkomst met de tijd rond 1815, het begin van het Koninkrijk der Nederlanden. Of anders gezegd: tussen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in de achttiende eeuw (die nauwelijks verenigd waren) en de Europese Unie nu (die nauwelijks een Unie mag heten).

Voor 1795 was er een zevental Provinciën. Elk had een eigen parlement (de Staten) en was in principe soeverein (Brabant, Drenthe en Limburg hadden niet diezelfde autonomie). De Republiek als geheel had nauwelijks instanties of bevoegdheden. In de Staten Generaal had elk gewest een stem en de afgevaardigden waren gebonden aan de wil van hun Staten. Voor belangrijke beslissingen was eenstemmigheid vereist. De Staten Generaal gingen eigenlijk alleen over buitenlandse zaken en defensie, maar geleidelijk aan ging de Republiek zich met meer zaken bemoeien (scheepvaart, koloniën, religie). Een eenheid werd het niet, maar het viel ook niet uit elkaar, onder meer door de rol van de stadhouder en door de economische overmacht van het gewest Holland.

De overeenkomsten met het Europese project liggen voor het oprapen. De onafhankelijke naties werken sinds de Tweede Wereldoorlog met elkaar samen op een beperkt aantal onderwerpen. In eerste instantie gebeurt dat met afgevaardigden die de belangen van het eigen land verdedigen. Geleidelijk aan groeit de centrale macht, maar een eenheid is het nog lang niet. Dat het niet uit elkaar valt, komt onder meer door de economische overmacht van Duitsland.

Nieuwe structuren

Terug naar toen. Na de overheersing door de Fransen (1795-1813) werd de kaart van Europa opnieuw getekend. In plaats van de Republiek kregen we het Koninkrijk der Nederlanden (een tijdlang inclusief België, maar dat maakt voor nu niet uit). Opvallend is dat het Koninkrijk veel strakker en centraler georganiseerd werd dan de Republiek. Willem I werd koning en kreeg met de Grondwet van 1814 een sterk mandaat. Willem was niet van plan de voordelen die de Fransen gebracht hadden op te geven voor romantische idealen van gewesten. Hij erfde van Napoleon een veel betere administratie, eenheid van bestuur, eenheid van recht, een veel rationelere bestuursregeling.

Voor de gewesten kwam daarmee het centrum van de macht wel veel verder weg te liggen: voor 1795 werd Friesland bestuurd vanuit Leeuwarden, na 1815 moest men ineens rekening gaan houden met de ‘dictaten’ uit Den Haag. De weerstand tegen die concentratie is altijd sterk geweest. In Limburg werd ‘Den Haag’ helemaal als vreemd ervaren, en dat is nog heel lang zo gebleven (als het al is overgegaan). Maar ondanks die weerstanden heeft de Nederlandse Natie zich in de afgelopen twee eeuwen meer en meer als een eenheid ontwikkeld.

Ook al zijn de omstandigheden totaal anders, de vraag hoe het met Europa verder moet, lijkt erg op de vragen van toen. Gaan we verder als losse soevereine maar ook kwetsbare staten die alleen in eenstemmigheid samen tot besluiten kunnen komen? Of werken we aan een toekomst waarin we steeds meer een eenheid zullen zijn? Dat er weerstanden tegen Europa zijn, is niet zo vreemd. Die weerstanden waren er ook bij het begin van het Koninkrijk.

De huidige crisis brengt de Europese ontwikkeling in een stroomversnelling. We merken in deze periode dan ook de groeistuipen. Maar de nostalgische of angstige achterhoedegevechten helpen ons niet verder. Angstvallig vasthouden aan de eigen soevereiniteit is in elk geval een garantie voor mislukking. Dat is een romantische verheerlijking van het verleden en van de eigen volksaard.

Macht en tegenmacht

In elke tijd staan samenlevingen voor de vraag op welke schaal ze de macht organiseren. Het krachtenveld waarin landen zich bewegen, is zo groot geworden dat ze stuk voor stuk vaak te klein zijn om daarin invloed te hebben. Tegenover de macht van multinationals en banken en de opkomende wereldmachten van China, India en dergelijke is een tegenmacht nodig die we alleen op Europese schaal hebben. Dat betekent dat we sterkere Europese instituties nodig hebben.

Maar daar hoort dan wel bij dat ook het democratische toezicht op datzelfde niveau moet liggen. Bij het ontstaan van het Koninkrijk werd daarom via de grondwet een begin gemaakt met een democratisch toezicht door de Staten-Generaal. Wat gebrekkig begon, is uitgegroeid tot een volwassen democratie. Net zo groeien de macht en verantwoordelijkheid van het Europese Parlement als democratisch tegenwicht tegen de Europese instituties. De vraag is niet of we meer of minder Europa willen, maar hoe we kunnen organiseren dat Europa door de Europese burgers wordt gecontroleerd.

Zou de crisis van onze tijd dan misschien net als toen de doorbraak kunnen worden naar democratie op een andere schaal?

(geschreven met Wybrand Ganzevoort voor Joop.nl)

Advertenties

Reacties staat uit voor Eurofielen, Eurofoben en de les van 1815

Opgeslagen onder Politiek

Reacties zijn gesloten.