Toegankelijkheid in het geding door collegegelddifferentiatie

(Inbreng in het EK-debat over het wetsvoorstel Kwaliteit in Verscheidenheid
Het gebeurt mij wel eens vaker dat ik bij de behandeling van een wetsvoorstel aan Monty Python moet denken, maar hier geldt het zeker. In The Meaning of Life legt John Cleese als headmaster uit wat hij van de leerlingen verwacht: “Now before I begin the lesson will those of you who are playing in the match this afternoon move your clothes down on to the lower peg immediately after lunch before you write your letter home, if you’re not getting your hair cut, unless you’ve got a younger brother who is going out this weekend as the guest of another boy, in which case collect his note before lunch, put it in your letter after you’ve had your hair cut, and make sure he moves your clothes down onto the lower peg for you.”


Kijk, dat gevoel blijft dus over als we kijken naar de steeds verder voortschrijdende collegegelddifferentiatie. Er is een wettelijk collegegeld dat geldt voor alle opleidingen behalve als het je tweede Bachelor- of Master-opleiding is, in welk geval je instellingscollegegeld betaalt tenzij het een opleiding in zorg of onderwijs is als je ten minste niet eerder een opleiding in die domeinen hebt gedaan of als je al aan die tweede opleiding begonnen was terwijl je met de eerste bezig was of als je eerdere diploma van lang geleden is. En als het een excellente opleiding is, dan betaal je maximaal het vijfvoudige tenzij er geen andere niet-excellente opleidingen zijn in die richting. Een honourstraject kost niets extra behalve als ze aan een proef meedoen, want dan kan het van alles kosten. En voor een schakelprogramma betaal je het wettelijk collegegeld mits het om de eerste dertig EC gaat, want voor de rest betaal je maximaal het dubbele. En als je dat allemaal niet kunt betalen, dan kun je gewoon extra geld lenen of gaan werken zodat je jongere broer in jouw plaats kan studeren. Een waarlijk Cleesiaanse regeling.
Wat is het nut van deze lappendeken van collegegeldniveaus, zo vraag ik de minister? En waarom wordt het met deze wet ingewikkelder gemaakt dan het al was? Met overigens de slag om de arm dat de collegegelddifferentiatie niet wordt ingevoerd zo lang er geen duidelijkheid is over het leenstelsel. Maar wat betekent dat. Zegt de minister toe dat deze onderdelen van het wetsvoorstel niet in werking treden als het leenstelsel er niet komt? Of zegt ze enkel dat ze niet in werking treden zolang er geen besluit is, welk besluit dat ook zij? Graag ziet mijn fractie duidelijkheid op dit punt, want wij houden niet zo van wetten met dode onderdelen.
Voorzitter, dezelfde rommeligheid als bij de collegegeldniveaus uit zich op meer punten. Zo komt er geen collegegelddifferentiatie met de honourstrajecten omdat daar discussie over was, maar dan kiest de minister gewoon voor de omweg van een pilot. En net zo zijn de promotiestudenten uit de wet verdwenen om via de achterdeur van een proef terug te komen. Met het mantra van evalueren en dergelijke klinkt dat mooi, maar het betekent gewoon dat de minister sluipenderwijs een weg opgaat die niet zo door de Kamers is goedgekeurd. En daarom vraag ik de minister hoe die evaluatie dan gestalte gaat krijgen, naar welke aspecten en criteria gekeken gaat worden en bij welke uitkomsten het experiment wordt stopgezet. Want zonder duidelijkheid op die punten worden we er gewoon ingerommeld.
Nu gaat het natuurlijk niet alleen om de collegegelddifferentiatie an sich. Veel belangrijker, zeker voor deze Kamer, is de onderliggende argumentatie, de proportionaliteit en dergelijke. En daar zitten ook de onduidelijkheden. Waarom moet een excellente opleiding duurder zijn? Worden daar meer kosten gemaakt? Misschien, maar niet per definitie. Er is ook geen directe relatie tussen de meerkosten die de instelling maakt en de meerkosten die de student te betalen krijgt. Is het op enige wijze te zien dat de extra opbrengsten gebruikt worden voor kwaliteitsverhoging, of gaat het geld gewoon in de algemene middelen van de instelling, zoals wij ook wel horen over de universi colleges? Het mag duidelijk zijn dat mijn fractie het amendement-Klaver erg verstandig vond. De minister schrijft in de memorie van antwoord dat “collegegelddifferentiatie kan helpen om excellent onderwijs te stimuleren en te behouden” (p 31). Maar kan ze dat ook concreet maken? Want op zichzelf is dat een loze redenering. Op welke wijze krijgen studenten waar voor hun geld? Als de verhoging reëel is gezien de hogere onkosten, waarom wordt daar dan geen verband tussen gelegd? En waarom is het collegegeld hier maximaal vijf keer zo hoog als het wettelijke? De platte redenering dat dat het maximum is van een collegeldkrediet kan natuurlijk niet overtuigend zijn, maar wat is dan de reden? Deze vragen zijn van belang, voorzitter vanwege de consistentie van wetgeving. Als hogere onderwijskosten leiden tot een hoger collegegeld, krijgen we dan ook een voorstel om voor alfa en gamma-opleidingen een lager collegegeld te vragen dan voor beta-opleidingen? Of ligt de redenering in een hogere waarde van het diploma en gaat de minister daarop de collegegelden bepalen? Ik weet dat dat niet in dit wetsvoorstel staat, maar ik wil wel van de minister weten wat nu precies de dwingende en consistente redenering is die leidt tot deze differentiatie.
Ik vraag dat zo nadrukkelijk omdat wij fundamentele vragen hebben bij de toegankelijkheid van het onderwijs. De minister zegt bij herhaling dat dat voor haar een zwaarwegend punt is en zij weet dat het dat voor mijn partij ook is. Maar kennelijk hebben we nog wel iets anders in het hoofd als we denken aan toegankelijkheid. De minister denkt in algemeenheden: vijf keer zo hoog collegegeld, vijf keer zo hoog collegegeldkrediet, probleem opgelost. Ik denk aan concrete studenten, bijvoorbeeld uit groepen met een sociaal-economische achterstand. Of studenten die via een omweg van diplomastapelen uitkomen bij een academische studie. Voor deze studenten is een vijf keer hoger krediet en dito schuld wel degelijk een probleem. En dat betekent dat dit een anti-emancipatoire maatregel is die de tweedeling in de samenleving vergroot, de kindertjes uit bevoorrechte gezinnen excellent onderwijs geeft en een extra drempel opwerpt voor studenten die hun eigen weg omhoog moeten zoeken. Waarom, zo vraag ik de minister, komt zij met een maatregel die studenten selecteert op hun financiële positie en niet op hun talent? En wat is de logica om te suggereren dat universiteiten in voorkomende gevallen kunnen afzien van de verhoging? Moet dat uit het profileringsfonds worden betaald? Is dat daarvoor bedoeld? Voorzien de – nogal precieze – regels van het profileringsfonds hierin? En zo nee, gaat dat dan uit de gewone bekostiging?
Ik vrees overigens dat die anti-emancipatoire werking voor meer maatregelen in dit wetsvoorstel geldt. Want ook de schakelprogramma’s worden duurder terwijl tegelijk de doorstroomeisen omhoog gaan. Is de minister het met mijn fractie eens dat met strakkere eisen en hogere kosten de toegankelijkheid gewoon verminderd wordt? Ze geeft dat eigenlijk ook al toe als ze zegt dat het helemaal niet erg is als studenten er na hun Bachelor voor kiezen om te gaan werken. Ja, akkoord, als dat inderdaad voor hen de beste weg is. Maar niet akkoord als ze daartoe gestimuleerd worden door hoge collegegelden. En niet akkoor als het hier bij de stapelaars onevenredig vaak gaat om jongeren uit gezinnen met een economische achterstand. Hoe voorkomt de minister dat excellent onderwijs iets voor de rijken wordt?
Ik kom daarmee bij de vraag of de universitaire Bachelorgraad gezien moet worden als een uitstroomniveau naar de arbeidsmarkt. Dat is nu niet het geval, en ik zou graag van de minister willen horen dat dat ook niet haar bedoeling is. Daarover lezen wij namelijk wat tegenstrijdige berichten. Is de minister het met ons eens dat het in het licht van de ambitie om een toonaangevende kenniseconomie te blijven onverstandig is om het standaard uitstroomniveau te verlagen van Master naar Bachelor? En is het dan niet ongelukkig als studenten op Bachelorniveau uitstromen om de enkele reden dat doorstuderen te ingewikkeld wordt door de doorstroomeisen en te duur door alle andere maatregelen? Graag een antwoord van de minister. Hoe garandeert ze dat studenten straks probleemloos kunnen doorstromen naar meer dan een Masteropleiding? Dat zou namelijk studenten pas echt verleiden om opnieuw te kiezen en daarmee een volwaardig Bolognamodel dichterbij brengen.
En nu we het daar toch over hebben: De doorstroming naar de Master is al belemmerd door de harde knip, nu weer door deze extra instroomeisen en dat alles onder dreiging van de invoering van een leenstelsel. Allemaal beperkende factoren. Daar zou onder meer tegenover staan dat de masteropleidingen meerdere instroommomenten per jaar zouden hebben. Inmiddels blijkt uit een brief van de minister dat dat bij slechts 54 % van de opleidingen is gerealiseerd. Wat vindt de minister daarvan? En wat zijn de gevolgen daarvan voor de studievertraging van studenten? Ik weet van universiteiten dat studenten hun Bachelor al voor de zomer moeten afronden om zich op tijd in te schrijven voor de Master die in september begint. En dat alleen om het administratief goed te kunnen verwerken. met slechts een instroommoment zijn studenten dan al gauw voor een jaar gedupeerd. Dat is voor de student geen harde knip meer maar een onnodig struikelblok. Hoeveel studenten, zo vraag ik, kunnen door de harde knip niet direct doorstuderen? Wat gaat de minister eraan doen om de doorstudeerbaarheid te verbeteren?
Voorzitter, voordat u of de minister denkt dat we alleen maar ellende zien in dit wetsvoorstel: dat is zeker niet het geval. We zijn zeer gelukkig met een aantal verbeteringen. De studiekeuzegesprekken zullen echt kunnen helpen om aanstaande studenten zo snel mogelijk op de juiste plek te krijgen. De intensivering die voorzien is, zal de studiekwaliteit kunnen verhogen. Het gelijktrekken van de titulatuur, de invoering van Associate Degrees in het HBO, allemaal stappen die helpen om de brede kwaliteit van ons stelsel te behouden en te verdiepen. Dat geldt ook voor de mogelijkheid voor studenten met een VWO-achtergrond om in drie jaar een HBO-opleiding te volgen, maar daar heb ik nog wel een vraag bij. Onduidelijk in de teksten is of dit om een aparte opleiding gaat of om een traject binnen een opleiding. Het lijkt om het laatste te gaan gezien de gelijke eindtermen. Maar dat roept de vraag op waarom het wettelijk geregeld moet worden en niet middels een vrijstellingentraject kan. Graag nog een toelichting op dat punt.
Ik herhaal: een heel aantal goede stappen die leiden tot meer differentiatie in het hoger onderwijs. Met het woord ‘verscheidenheid’ in de titel van de wet zit het dus wel goed. Over ‘kwaliteit’ lezen we veel minder, maar dat zijn we gewend. Als het al ter sprake komt, dan wordt de verantwoordelijkheid bij de instellingen gelegd. Maar heeft de minister dan geen ideeën over staf-studentratio, over hoe docenten zelf weer verantwoordelijk kunnen worden voor hun onderwijs, over horizontale verantwoording, over het belang van Bildung en een bredere ontplooiing van studenten, enzovoorts?
Voorzitter, de grote rijkdom van ons Nederlandse onderwijs zit erin dat de kwaliteit in de breedte goed is en dat we op die manier veel studenten kunnen opleiden, een leven lang zelfs. Dat daar meer differentiatie in kan komen, is een goede zaak omdat we dan meer maatwerk kunnen leveren en nog beter kunnen aansluiten bij de mogelijkheden en behoeften van studenten. Maar laten we nu toch alstublieft niet de toegankelijkheid ondermijnen voor die groepen die je nu juist en juist nu dat extra duwtje in de rug gunt.

Advertenties

Reacties staat uit voor Toegankelijkheid in het geding door collegegelddifferentiatie

Opgeslagen onder Eerste kamer, Politiek

Reacties zijn gesloten.