EK-debat over lidmaatschap VN-organisatie UNIDO

Op 12 november debatteerde de Eerste Kamer met minister Ploumen over het voornemen om het Nederlandse lidmaatschap op te zeggen van de United Nations Industrial Development Organization. Na de felle kritiek van de kant van de Kamer trok ze het voorstel in. Hieronder mijn inbreng in het debat.

Er is iets wonderlijks aan de hand met het voorstel het lidmaatschap op te zeggen van de UNIDO. Het kwam enigszins onder de radar binnen omdat de regering het in eerste wilde afdoen met stilzwijgende goedkeuring van de Staten Generaal. In de behandeling die uiteindelijk toch volgde en die vandaag haar afronding vindt, valt vervolgens vooral op hoe ongelooflijk dun de argumentatie is, zelfs als er wordt doorgevraagd. De belangrijkste vraag van mijn fractie is dan ook waarom de regering dit nu eigenlijk wil. Het gaat om een marginale begrotingspost, ook als je het plaatst in het licht van de opbouw van de OS-begroting in de komende jaren. Daarin zien we een enorme verschuiving van projectsubsidies naar ondersteuning van bedrijven via bijvoorbeeld het Dutch Good Growth Fund. Waarom kan die 2 miljoen niet daaruit komen in plaats van dat bedrag te schrappen? Het lijkt ons dat de motieven niet echt van financiële aard kunnen zijn gezien de omvang. Maar wat is het dan wel? Voor de Raad van State was het niet duidelijk en voor mijn fractie vooralsnog ook niet.

Voordat ik een aantal van de genoemde redenen langsloop en afweeg, lijkt het echter goed om eerst met de minister in gesprek te gaan over het meer fundamentele punt van onze deelname in internationale organisaties als UNIDO. Niet voor niets schrijft de regering in de nota van 10 april 2013: “De Nederlandse multilaterale traditie betekent dat een besluit over terugtrekking uit een (VN-) organisatie met zorgvuldigheid moet worden genomen.” Maar op nadere vragen op dat punt komt weinig antwoord, ook als gevraagd wordt naar redenen van andere landen om niet te participeren. Daar wordt een beetje omheen gedraaid met de opmerking ‘daar kunnen wij niet in treden, daar gaan wij niet over’. Terwijl de Raad van State het beëindigen van het lidmaatschap een ingrijpende stap noemt, wordt het door de regering wat gebagatelliseerd. De memorie van antwoord draait eerlijk gezegd om de vragen van deze Kamer heen. De principiële vraag is of Nederland haar rol in de internationale structuren van de VN-organisaties wil blijven spelen. Daarbij hoort niet alleen de VN zelf, maar ook de verwante taakorganisaties die – vaak in stilte – hun werk doen. En die dat kunnen doen dankzij de structurele lidmaatschappen van een zeer grote meerderheid van de VN-landen. Is de minister van mening dat dit organisaties zijn waar we in en uit kunnen vliegen als wij onze beleidsprioriteiten wat verleggen? Of deelt ze de mening van mijn fractie en van de Raad van State dat solidaire continuïteit in de internationale samenwerking een groot goed is voor de wereldvrede en met name ook voor de allerarmsten? En dat het een erezaak is voor Nederland om in die samenwerking voorop te blijven lopen. En als de minister het – blijkens de uitspraak van 10 april – met ons eens is dat we niet moeten jojoën met deze internationale organisaties, deelt zij dan ook de conclusie dat we dus alleen bij dwingende noodzaak een lidmaatschap moeten opzeggen omdat we niet de indruk willen wekken dat we afstand aan het nemen zijn van de idealen waardoor de VN-organisaties gedragen worden? En wat is dan die dwingende noodzaak, zo vraag ik de minister.

Voorzitter, als we met welwillendheid proberen de redenen voor dit voorstel op waarde te schatten, dan zijn dat er twee: het vermeende gebrek aan effectiviteit van UNIDO en het vermeende gebrek aan aansluiting bij de doelstellingen van ons ontwikkelingssamenwerkingsbeleid. Ik gebruik in beide gevallen het woord ‘vermeend’, omdat de regering er in de behandeling tot nu toe niet in is geslaagd deze twee redenen overtuigend neer te zetten. Ik geef de minister graag de kans om dat alsnog te doen, waarbij we haar argumenten moeten wegen tegen de informatie die ook langs andere kanalen tot ons is gekomen en die ik haar dan ook graag voorhoud in de hoop op een reactie.

Eerst maar die effectiviteit. Uit alle stukken begrijp ik dat dat inderdaad een issue is geweest. Met de nadruk op geweest. De regering spreekt inmiddels van “redelijk effectief” en heeft veel lof voor de ontwikkelingen bij UNIDO op weg naar meer effectiviteit. EU-commissaris Piebalgs noemt UNIDO “a reliable and effective partner, acting as a catalyst in transforming developing countries’ economies by reinforcing productive capacities and fostering investments that add value to local production, stimulate economic diversification and strengthen local competitiveness.” De G77-landen onderstrepen de efficiency van de organisatie die met stagnerende budgetten steeds meer doet. Agentschap NL en enkele grote bedrijven werken met UNIDO samen vanwege de effectiviteit. VNO-NCW vraagt om het verdrag niet op te zeggen omdat dat onze belangen schaadt. Noorwegen heeft een grondige evaluatie gedaan die positief uitpakte. Zelfs voormalige leden werken graag samen.

Tegenover die overdaad aan structurele signalen dat er met de effectiviteit van UNIDO niet zo veel mis is, plaatst de minister twee zaken. Het eerste is een anekdotische ervaring die zij had in Bangladesh, maar dat verhaal is te weinig substantieel om hier als argument te kunnen dienen. Het tweede is de visie dat UNIDO te veel versnippering in haar projectvoering kent, te kleinschalig is en te lokaal. Ik constateer dat die kritiek niet klinkt bij de andere partners die juist de effectiviteit roemen en grootschalig samenwerken. Hoe ziet de minister in dit licht de projecten die UNIDO vaak in samenwerking met anderen uitvoert binnen the Green Industry Platform, drinkwater en energievoorziening, enzovoorts? Het gaat daarbij toch om serieuze bedragen van honderden miljoenen. En belangrijker: het gaat om serieuze verbeteringen van de situatie voor de mensen om wie het gaat? Is het niet juist bijzonder waardevol en effectief om binnen die grotere structuur van UNIDO ook lokale oplossingen te kunnen realiseren voor bijvoorbeeld drinkwater zonder arsenicum in Bangladesh, energievoorziening op het platteland van Rwanda en duurzame productie in de landen rond de Middellandse Zee zodat de watervervuiling afneemt? Als het werkt, doeltreffend is, gesteund wordt door belangrijke partners, verbindingen aanbrengt tussen overheid en bedrijfsleven en dat alles voor een beperkt eigen budget, waar blijft dan het argument van de regering dat het niet effectief genoeg is? En als het al zo zou zijn dat het nog effectiever moet, waarom steunt de regering dan de directie van UNIDO niet om dat te verbeteren. Deelt de minister het inzicht dat daar bij UNIDO hard aan wordt gewerkt? Maar wat is dan het argument om nu de steun in te trekken? Hier zal de minister echt met een betere onderbouwing moeten komen.

Het tweede argument was de aansluiting bij de Nederlandse beleidsdoelen in de ontwikkelingssamenwerking. Dat kan inderdaad een argument zijn, maar in de ogen van mijn fractie alleen als dat zo zwaarwegend is dat je daarvoor ook inderdaad de ingrijpende stap van uittreden moet zetten. In elke samenwerkingsrelatie zitten immers elementen die niet naadloos het eigen beleid weerspiegelen, maar waarin je je grosso modo wel kunt vinden. En dus is de vraag of het beleid van UNIDO haaks staat op het onze of zo ver afstaat van de speerpunten van ons OS-beleid als de minister suggereert. Het lastige is dat de regering dat niet expliciet maakt. Zelfs als daar in het debat aan de overkant expliciet naar gevraagd wordt, ontwijkt ze een antwoord. Want dat concrete antwoord zou het opzeggen extra scherpte geven en dat wil ze niet, dus geloof haar nu maar als ze zegt dat ze erover nagedacht heeft. Het is alsof je de verkering uitmaakt en niet wil zeggen waarom omdat dat onaardig is. Maar voorzitter, zo kan de Kamer haar controlerende werk niet doen. De regering zal helder en eenduidig de argumenten op tafel moeten leggen als ze in elk geval mijn fractie wil overtuigen.

Gelukkig hebben we ook hier informatie van andere kanten. En daaruit komt het beeld naar voren dat UNIDO op allerlei terreinen nu juist wel aansluit bij de doelstellingen van het Nederlandse OS-beleid. Ze wil hulp en samenwerking verbinden met het bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld. Check. Ze wil de private sector in ontwikkelingslanden versterken. Check. Een van onze vier beleidsspeerpunten is water. Check. Een ander is veiligheid en rechtsorde. Check. We beperken onze samenwerking tot 15 landen en in 12 daarvan is UNIDO actief. Check dus. We willen via andere organisaties werken zoals UNEP, maar die laten de uitvoering door UNIDO doen. Opnieuw check dus. En daarom nog maar eens de vraag aan de minister: wat bedoelt de regering als ze zegt dat de doelen van UNIDO en de doelen van deze regering uit elkaar lopen? Wat is haar bezwaar tegen wereldwijde armoedebestrijding en duurzame economische ontwikkeling in ontwikkelingslanden, want daar gaat het ons allemaal toch om?

Voorzitter, als de regering voor een schamele 2 miljoen de rug toekeert naar een van onze internationale samenwerkingsverbanden, dan moeten daar echt goede redenen voor zijn. Als dat samenwerkingsverband volgens velen aantoonbaar effectief is en inhoudelijk redelijk tot goed aansluit bij de beleidsdoelen van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking, dan wordt opzegging van het lidmaatschap niet alleen onverstandig, maar onbegrijpelijk. Mijn fractie geeft de minister graag de ruimte om met de tot nu toe pijnlijk ontbrekende overtuigende onderbouwing te komen en wacht daarom de antwoorden op onze vragen af.

Advertenties

Reacties staat uit voor EK-debat over lidmaatschap VN-organisatie UNIDO

Opgeslagen onder Eerste kamer, Politiek

Reacties zijn gesloten.