Tocht in Thorbecke’s huis

Het afgelopen jaar was dan misschien spannend in politiek Den Haag, de komende maanden ligt de spanning elders. Er zijn immers verkiezingen voor de gemeenteraad in Maart en voor het Europees parlement in Mei. Natuurlijk staan die in de beleving van veel mensen niet los van de Haagse politiek en van de waardering (of het gebrek daaraan ) voor de regeringscoalitie. Zowel op de lokale als op de Europese agenda staan echter vooral zaken met een heel eigen gewicht.

Dat die verkiezingen zo dicht bij elkaar liggen, is een mooie gelegenheid om stil te staan bij de manier waarop onze democratie op de verschillende niveaus is geregeld. De grondwet van 1848 bouwde het ‘huis van Thorbecke’, drie overheidslagen met elk een eigen democratisch toezicht. De plaatselijke overheid (burgemeester en wethouders) wordt gecontroleerd door de gemeenteraad, de provinciale overheid (gedeputeerden) door de provinciale staten, en de landelijke overheid (de regering) door de twee kamers van de Staten Generaal. Daar is inmiddels feitelijk een vierde laag boven gekomen, want de Europese Commissie is in een aantal opzichten een Europese regering die wordt gecontroleerd door het Europees parlement. Een belangrijk deel van de wetgeving wordt Europees bepaald.

Een kerngedachte bij dat huis van Thorbecke is dat de verschillende overheidslagen hun eigen verantwoordelijkheid hebben. Alle overheidstaken zijn netjes op een van deze niveaus belegd. En op elke laag hebben wij het als burgers uiteindelijk voor het zeggen. Wij kiezen immers de gemeenteraad, de provinciale staten, het parlement en het Europarlement waar het toezicht op de overheid plaats vindt. Dat huis van Thorbecke staat nog steeds fier overeind, zij het met een extra verdieping. Maar bij het democratisch toezicht tocht het behoorlijk, juist op Europees en lokaal vlak.

Democratisch tekort

Bij Europa is dat het meest zichtbaar. Dat komt omdat we daar tot nu toe op twee gedachten hinken. Aan de ene kant is Europa een samenwerkingsverband van zelfstandige landen waarbij de regeringen voortdurend met elkaar onderhandelen over wat ze samen willen doen en hoe. Aan de andere kant heeft Europa een wetgevende en uitvoerende macht (de Europese Commissie) en een eigen parlement en daarmee is het een eigen overheidslaag. Het probleem is alleen dat door die halfslachtigheid het Europees parlement te weinig macht krijgt om de Commissie te controleren. Een deel van de besluitvorming speelt zich immers niet af in de directe relatie van Commissie en parlement, maar in de schemerzone van de onderhandelingen tussen regeringen.

Iets dergelijks, maar dan in spiegelbeeld, speelt zich af bij de gemeenten. Die krijgen bij de zogenoemde ‘drie decentralisaties’ een steeds zwaardere taak in de sociale zekerheid, zorg en welzijn (WMO) en jeugdzorg. De meeste gemeenten zijn echter te klein om dat goed te kunnen regelen. Daarom gaan ze regionaal samenwerken, zoals ze al doen in de veiligheidsregio’s, passend onderwijs en nog wat onderwerpen. En bij elk van die onderwerpen zijn er weer andere regio’s ontstaan. Het gevolg is dat bijvoorbeeld de jeugdzorg officieel de verantwoordelijkheid is van elke gemeente afzonderlijk, maar in de praktijk wordt bepaald door de grootste gemeente in een regio. De gemeenteraden die toezicht zouden moeten uitoefenen, hebben daar vervolgens feitelijk weinig meer over te zeggen. Eigenlijk gaat het ook hier om een halfslachtige oplossing. Als je vindt dat taken als jeugdzorg en sociale zekerheid beter plaatselijk/regionaal dan landelijk kunnen worden geregeld, dan moet je zowel het bestuur als het democratisch toezicht ook op dat niveau organiseren. Dat was het idee bij het huis van Thorbecke.

Van Europa durven we nog geen volwaardige bestuurslaag te maken en daardoor blijven we rommelen met schemerige onderhandelingen tussen regeringen. Lokaal durven we nog niet te kiezen voor veel grotere gemeenten en daardoor blijven we rommelen met schemerige onderhandelingen tussen gemeenten. In beide gevallen heeft de volksvertegenwoordiging het nakijken en dat probleem is pas opgelost als besluitvorming, uitvoering en democratisch toezicht weer allemaal op hetzelfde niveau liggen.

Helaas wordt de discussie vaak versimpeld tot meer of minder Europa of tot een gefrustreerde roep dat er niet naar ‘ons’ wordt geluisterd. Dat ligt niet aan het Europarlement of aan al die gemeenteraden. Daar wordt hard genoeg gewerkt. Het ligt aan de halfslachtigheid waarmee we de democratische structuren aanpassen aan de nieuwe situatie. In het huis van Thorbecke staat het democratisch toezicht op de tocht. Het principe dat wij als kiezers het bij elke overheidslaag uiteindelijk voor het zeggen hebben, staat onder druk. Daar ligt dan ook de echte uitdaging. Hoe zorgen we ervoor dat het Europarlement echt tegenmacht kan bieden aan de Commissie? Hoe zorgen we ervoor dat gemeenteraden echt de lokale overheid ter verantwoording kunnen roepen?

Het wordt tijd om weer eens goed naar de principes van het huis van Thorbecke te kijken. Dan is een beetje opschuren en verven waarschijnlijk niet genoeg. Ook een eerbiedwaardig oud huis heeft soms een renovatiebeurt nodig.

Column in De Linker Wang December 2013

Advertenties

3 reacties

Opgeslagen onder Politiek

3 Reacties op “Tocht in Thorbecke’s huis

  1. Jelle Wierda Ruurlo

    Als je de mens centraal stelt en een overheid wilt die daar aan dienstbaar is, is de gemiddelde gemeente te groot geworden. Wellicht wordt het tijd voor een ‘laag eronder’: een (minder) formeel platform per wijk / dorp waar de zogenaamd kleine (lokale) zaken worden geregeld.

  2. Jacques van Nederpelt

    Het is een interessante analyse, Ruard. De volksvertegenwoordiging in Europa en in de gemeenten werkt niet goed. Van Europa wisten we hel al, maar deze bestuurslaag is nog in ontwikkeling. Hopelijk wordt het democratisch gehalte geleidelijk aan versterkt. De lokale politiek echter ontwikkelt zich eerder weg van de democratie. De gemeenteraad, vooral die van de kleinste gemeente, heeft erg weinig in te brengen op het niveau van de gemeentelijke samenwerkingsverbanden. Oplossing lijkt dan fusie van gemeenten tot het niveau van die samenwerking.
    Of een kleinere gemeente met een kleinere afstand tussen bestuur en burger goed is voor het democratisch gehalte in de politiek, zoals GL Bunnik schijnt te vinden, weet ik niet. Er ontstaan misschien ook gemakkelijker gesloten clubjes, kliekjes die hun kritische geest verliezen, te toegeeflijk zijn tegenover het college en ertoe neigen teveel oog te hebben voor deelbelangen. Daarbij komt dat grotere gemeenten over het algemeen raadsleden met meer deskundigheid binnenhalen. Zij laten zich niet zo gemakkelijk met een kluitje in het riet sturen door college en ambtenaren. Goede raadsleden zijn waakzaam, kritisch en strijdvaardig in het behartigen van het algemene belang.

  3. Bij onze laatste ledenvergadering heb ik er weer eens naar gevraagd. Er wordt heel bewust gekozen voor een kleine gemeente. De afstand tussen burger en bestuur is er het kleinst. De raad zit het dichtst bij de besluitvorming. Juist de ergernissen over zogenaamde kleine zaken geven het meeste ergernis. Voor de nationale parlementen bestaat de gele kaart procedure. Die is moeijk te hanteren. Ik lees er niets over.