Spelen met Heilig Vuur – terugblik

Dat mijn theologisch pamflet Spelen met heilig vuur in 2013 discussie zou oproepen, verraste me niet. Sterker nog, daar ging het nu juist om. Ik wilde debat over de maatschappelijke en culturele taak van de theologie, over een publieke rol voorbij de confessionele posities. Ik wilde gesprek over theologie als een vorm van cultuurhermeneutiek, dat wil zeggen het verstaan van onze tijd en samenleving met gebruikmaking van de wijsheidstradities die we onder meer in religie en levensbeschouwing kunnen vinden. Nu het jaar voorbij is, maak ik de balans van de discussie op. Daarbij kan ik direct op een paar nog openstaande uitdagingen ingaan (1, 2)

Wat me om te beginnen opviel, is dat de reacties vaak sterk positief of sterk negatief waren. Dat zal vast te maken hebben met de pamflettistische stijl, maar toch. Kennelijk staat er bij het onderwerp ook iets op het spel dat lezers raakt. Uit de inhoud van de reacties maak ik op dat dat de vraag is naar de relevantie van religie in de moderne samenleving. In de positieve reacties lees ik vooral dat men het beschreven probleem herkent, het risico dat klassieke religieuze taal steeds meer onherkenbaar en ontoegankelijk wordt, de uitdaging om nieuwe verbindingen te leggen. In de negatieve reacties lees ik vooral boosheid omdat ik van die religieuze traditie af zou willen. Voor alle duidelijkheid: dat was nooit mijn bedoeling. Al vanaf de tweede bladzijde van mijn pamflet heb ik het over de noodzaak klassieke woorden opnieuw tot leven te laten komen. Het is mooi om te zien hoe een website als Godschrift die uitdaging opneemt en bij klassieke struikelbegrippen zoekt naar de existentiële betekenis voor vandaag.

Soms zitten de negatieve en positieve reactie dicht bij elkaar. In een aantal bijdragen aan Volzin, afgesloten met een publiek debat, kruisten Erik Borgman en ik de degens. Het pamflet had hem diep geraakt in hoe hij zijn taak als publiek theoloog verstaat. Dat had alles met de ondertitel van het pamflet te maken: ‘Waarom de theologie haar claim op de waarheid moet opgeven’. Volgens Borgman is het juist het normatieve christelijke geluid dat de theoloog in de samenleving moet laten klinken. Maar zo heel erg oneens zijn we het niet, en ik heb altijd veel waardering gehad voor Borgman’s publieke theologie. Er zijn wel twee verschillen: ik vind zijn stijl van publieke theologie meer getuigend waarbij hij de waarde van een christelijk geluid zichtbaar maakt, terwijl ik zelf meer analyserend probeer te begrijpen wat de intrinsieke levensbeschouwelijke betekenis is van fenomenen uit cultuur en samenleving. Daarbij positioneert Borgman zich nadrukkelijk als christelijk theoloog en kies ik nadrukkelijk voor een pluralistische theologie (zonder te ontkennen dat mijn eigen wortels vooral christelijk zijn).

Natuurlijk heb ik me daarmee ook de kritiek op de hals gehaald van mensen die zo’n pluralistische opstelling verkeerd vinden of zelfs goddeloos. Zij doen echter precies dat waarvan ik probeer los te komen. Ik probeer theologie juist niet één-op-één te verbinden aan een bepaalde religieuze traditie, omdat ik vind dat theologie een rol moet kunnen spelen in het publieke debat van een plurale samenleving. Ik kies dus in dit pamflet niet voor de theoloog als vertegenwoordiger van een traditie, maar voor de theoloog als (kritische) tolk tussen tradities en tussen mensen in. Overigens meent Koert van der Velde dat ik dat nog te halfslachtig doe omdat ik met het begrip ‘het heilige’ toch nog een vast punt zou binnensmokkelen. Ik doelde met ‘het heilige’ echter niet op een goddelijk wezen of wat dan ook, maar op een menselijke ervaring, dus wellicht berust deze kritiek op een misverstand.

Waarheidsvraag

De meeste discussie ontstond echter naar aanleiding van de ondertitel en de waarheidsvraag. Niet alleen Borgman en Willem Smouter (“… vol verstandige gedachten … met uitzondering van de hoofdlijn namelijk dat theologen hun claim op de waarheid moeten opgeven”) vielen daarover, ook de meest substantiële recensie tot nu toe van de hand van filosoof Rik Peels. Wat in deze discussie vooral opvalt, is dat de ondertitel vaak verkeerde associaties wekt. Zo schrijft Tjerk de Reus nogal venijnig dat er ook in mijn boekje de nodige waarheidsclaims staan en dat het bovendien respectloos en intolerant is. En hij grijpt de recensie van Peels aan om dat nog maar eens te herhalen. Ik was verbaasd over de toon van De Reus, maar ik begrijp uit contact met hem dat hij door mijn pamflet gekwetst is. Dat spijt me dan, vooral omdat het kennelijk een drempel opwerpt om de centrale vragen naar de relevantie van het theologische en religieuze spreken serieus te nemen. Uiteindelijk gaat het voor mij namelijk veel meer om die relevantie dan om de waarheidsvraag…

Naar de kern van de kritiek dan. Peels stelt net als anderen dat ook mijn pamflet normatieve uitspraken bevat en dus aan waarheidsclaims doet. Dat is uiteraard ook zo. Sterker nog: ik benadruk bij herhaling dat theologie voortdurend kritisch en dus normatief het gesprek aangaat. Het veld van leven, zingeving, religie is zelf volop normatief geladen en draait voortdurend om strijdende waarheidsclaims. Bij alle thema’s die langskomen in het pamflet ga ik ook in op de normatieve strijd. Ik verberg dus mijn eigen normativiteit niet, zoals hij suggereert, maar ben daar zeer open over – en daarmee mist een groot deel van zijn kritiek doel. Met ‘claim op de waarheid’ doel ik dan ook op iets anders, zoals het pamflet duidelijk maakt. Theologen moeten de claim opgeven op metafysische waarheid, de waarheid over ‘God’ kennen, of hoe we dat ook willen formuleren. Dat standpunt is overigens helemaal niet zo nieuw en afwijkend als Peels suggereert, maar heeft een eerbiedwaardige geschiedenis in de Joods-christelijke traditie, bijvoorbeeld in de vorm van Negatieve Theologie, maar er zijn meer voorbeelden te noemen.

Peels doet vervolgens een interessante en ook wat flauwe poging om mijn pamflet filosofisch te evalueren. Hij constateert op zich terecht dat mijn formuleringen soms niet precies genoeg zijn om in een filosofisch debat stand te houden, maar daar waren ze natuurlijk ook niet voor bedoeld. Peels’ tegenargumentatie is daarmee echter nog niet overtuigend. Mijn centrale punt hier is dat de theologie zich bezighoudt met religieuze taal, praktijken  en ervaringen en dat die religieuze verschijnselen primair iets zeggen over de werkelijkheid waarin wij leven en niet over het bestaan van ‘God’. Over dat bestaan van ‘God’ kunnen theologen volgens mij niet zoveel zinnigs zeggen, over die werkelijkheid waarin wij leven natuurlijk wel. Peels noemt ook dat een waarheidsclaim, maar hij weet dat dat iets anders is dan ik bedoel. Ik zeg dat theologen moeten afzien van de claim dat bepaalde uitspraken over of en hoe ‘God’ ‘is’, waar zijn omdat ons kennen beperkt is en omdat het ons in de publieke communicatie eerder belemmert dan verder helpt.

Volgens Peels is dat vervolgens een intolerante opvatting omdat het haaks staat op wat heel veel anderen geloven. Hij onderbouwt dat met de bekende hypothetische redenering dat als er een ‘God’ zou bestaan die zich aan ons bekend zou maken, het wel degelijk mogelijk zou zijn dat we die ‘God’ zouden kennen. En omdat ik dat  betwist, sluit ik feitelijk het bestaan van een ‘God’ die zich laat kennen uit. Buiten de kring van aanhangers van de ‘Reformed Epistemology’ is dit een weinig overtuigende cirkelredenering. De grote denkfout is dat ik helemaal niets uitsluit, maar dat nu juist openlaat. Juist daarom kan ik ook met respect de visies van zowel gelovigen als ongelovigen serieus nemen. Ik vraag niet welke van hun ideeën over ‘God’ waar is, ik vraag wat die ideeën uitwerken in het leven hier en nu. En juist daarom neem ik ook de religieuze tradities nog steeds voluit serieus als tradities die voor vandaag de dag veel wijsheid kunnen bevatten. Ik vind het niet erg dat Peels daarin andere keuzes maakt, zoals blijkt uit zijn recente – en evenzeer discussie oproepende  – boek. Ik vind het alleen jammer dat hij ook na een uitvoerige mailwisseling en een (in mijn beleving verhelderend) gesprek de twee foutieve pijlers onder zijn kritiek niet heeft herzien: 1) dat ik met waarheidsclaim elke normatieve uitspraak zou bedoelen en 2) dat ik veronderstel dat een God die zich laat kennen niet bestaat. Zonder die twee pijlers blijft er van zijn kritiek weinig over, maar op deze manier bestrijdt hij een karikatuur van mijn pamflet en dat helpt het gesprek niet verder.

Te massief

Ten slotte nog een beloofde reactie op collega Marcel Barnard (PThU) die mij een serie constructief-kritische vragen voorhield. Een deel sluit aan bij eerdere discussiepunten (bijvoorbeeld over de waarheidsvraag), maar de kern van zijn kritiek lijkt mij dat hij het allemaal wat te stellig vindt: theologen (en ook onze studenten) hebben helemaal niet zo’n zwart-wit waarheidsbegrip als ik suggereer. En bovendien moeten we er meer spanning inbrengen, want die theologen moeten – zeker binnen de geloofsgemeenschap – wel duidelijke (en inspirerende) taal kunnen spreken, ook als ze beseffen dat dat niet dé enige of ultieme waarheid is. Ik geef dat graag toe en verwijs graag naar de stijlvorm van het pamflet die altijd uitnodigt tot iets te stellige uitspraken. Ik heb het laatste in elk geval ook geschreven: binnen de geloofsgemeenschap is de theoloog/voorganger ook de vertegenwoordiger van die traditie. “Tijdens het ritueel spelen we het heilige spel en binnen het spel wordt er niet getwijfeld” (p 38). In de opleiding probeer ik dat studenten dan ook mee te geven: tegelijk van binnenuit en van buitenaf naar die geloofspraktijken kijken en in die wisselwerking kritische en creatieve vragen stellen (daar zit ook het antwoord op de vragen naar de wetenschappelijkheid). En wat het eerste betreft, zou ik bijna zeggen: wie de schoen past, trekke hem aan. Natuurlijk zijn er heel wat theologen die – min of meer – op deze lijn zitten en dan ook instemmend reageerden. Mijn pamflet is vooral als spiegel bedoeld. Het valt mij in elk geval op dat heel wat theologen reageerden met: die waarheidsclaims hanteren we helemaal niet, maar je moet het ook niet weg relativeren… Daar zit een interessante spanning in die mij doet zeggen: laten we het nu eens wat minder over waarheid hebben en wat meer over wijsheid. Misschien helpt dat om de wijsheid die in religieuze tradities verzameld is ook voor onze samenleving anno 2014 toegankelijk te houden.

Uiteindelijk ging het er mij bij het pamflet om de vraag op te roepen hoe de theologie in onze tijd en context publiek relevant kan functioneren. Voor een deel zal dat (blijven) gebeuren door theologen die het tot hun taak zien de eigen (Christelijke, Islamitische of welke ook) traditie te vertalen naar vandaag. Maar daarnaast – en dat was mijn hartenkreet – hebben we theologen nodig die voorbij de eigen confessionele achtergrond in het publieke debat helpen zoeken naar wijsheid in de omgang met wat mensen heilig is. In veel van de positieve, negatieve en constructief-kritische reacties (ook die hier niet genoemd zijn) herken ik in elk geval die zoektocht naar relevantie. Dat gesprek zet ik ook in 2014 graag voort.

Advertenties

1 reactie

Opgeslagen onder Religie

Een Reactie op “Spelen met Heilig Vuur – terugblik

  1. Dick de Jong

    Verhelderende bespreking. Wat mij bezighoudt ligt op een wat ander vlak dan de hier besproken kritiek. Dat is de vraag wie er eigenlijk theologie leest. Ofwel: met wie debatteert of blogt de theoloog die de cultuur probeert te duiden met aandacht voor en kennis van levensbeschouwelijke aspecten?
    Voorbeeld: ik ben weliswaar theoloog maar werkzaam als geestelijk verzorger en ben niet geabonneerd op Trouw of op Volzin, maar op de NRC en op de Groene. Ik maak geen deel uit van een binnenkring van mensen die – hoe ook confessioneel of institutioneel met elkaar verbonden – deze discussie voeren. Zodoende wist ik van het hele pamflet niet af tot iemand die wel tot de kring behoort me erop attent maakte.
    Wat nou ´publieke´ theologie?

    Dick de Jong
    Oss