Bijdrage in het debat over de Jeugdwet 11 Februari 2014

Misschien is de grootste politieke opwinding vandaag elders in Den Haag te vinden, maar ik durf wel te zeggen dat de belangrijkste politieke beslissing in het debat hier valt. We hebben het over een complete stelselverandering van de zorg voor onze meest kwetsbare kinderen en jongeren. We hebben het over een ingewikkelde operatie waarbij verantwoordelijkheden verschuiven tussen overheidslagen en zorgverzekeraars, en tussen de overheid en burgers. En we doen dat bovendien in een tijd van stevige bezuinigingen. Tijd en ruimte om te oefenen met het nieuwe stelsel is er niet. Het is dus niet vreemd dat ouders, behandelaars, zorginstellingen en gemeenten zich druk maken over deze wet, grote zorgen hebben. Krijgt hun kind straks nog wel de zorg die zij of hij nodig heeft? Kunnen artsen, psychologen, psychiaters, jeugdzorgers straks nog wel hun eigen professionele afwegingen maken en het kind de hulp aanbieden die zij verantwoord vinden? Kunnen instellingen wel overleven als alle geldstromen en verantwoordelijkheden verschuiven en het voorlopig onduidelijk is wie waar wat zal gaan doen? Kunnen gemeenten hun taken wel waarmaken als ze te weinig budget en/of te weinig regie krijgen?

Terechte vragen, en ik heb er dan ook volledig begrip voor dat we van alle kanten bedolven zijn onder brieven en rapporten die uitdragen dat we voor of juist tegen moeten stemmen. Daar is mijn fractie dus ook nog niet uit. Het zal echt van dit debat en van de toezeggingen van de regering afhangen hoe onze stem uitvalt. En daarom zal ik in mijn bijdrage proberen de kwesties wat te ontrafelen en de pijnpunten scherp te stellen.

Belangenstrijd

Maar, voorzitter, ik moet wel eerst kwijt dat wij het zeer betreuren dat er in de afgelopen maanden zo’n scherpe strijd is ontstaan tussen allerlei betrokkenen. Partijen die ten diepste dezelfde intenties hebben, zijn tegenover elkaar komen te staan, en dat rekenen wij de staatssecretaris wel aan. Waarom heeft hij zich niet verzekerd van een breed draagvlak bij de mensen die er, als de wet wordt aangenomen, straks een succes van moeten maken? Wat heeft hij gedaan om bijvoorbeeld de Jeugd-GGZ en gemeenten samen achter de plannen te krijgen? Hoe heeft hij erin geïnvesteerd om ervoor te zorgen dat aan de reële zorgen van het veld tegemoet wordt gekomen? Het lijkt erop dat de regering erop rekent dat ze met politieke macht een besluit doordrukt en dat het dan allemaal wel goed komt. We horen graag wat de staatssecretaris vindt van alle spanning en strijd die hij heeft opgeroepen doordat hij te weinig draagvlak heeft verworven voor zo’n ingrijpende stelselwijziging.

Intenties

Waar gaat het vandaag om? Het gaat vandaag om kinderen die bij het opgroeien problemen tegenkomen. Het gaat om ouders die bij het opvoeden tegen hun grenzen aanlopen. Het gaat om dat jongetje van 8 dat anders reageert dan andere kinderen en uiteindelijk autistisch blijkt te zijn. Het gaat om dat meisje dat thuis verwaarloost of misbruikt wordt. En het gaat erom dat we voor deze twee en al die andere kinderen zo snel mogelijk de goede zorg kunnen bieden. Dat is voor het ene kind een gespecialiseerde kinderpsychiatrische behandeling, voor het andere kind een training, voor weer een ander kind begeleiding van de ouders, en voor nog een ander kind uithuisplaatsing.

Sinds de wet Jeugdzorg van 2005 laten tal van onderzoeken en ervaringen zien dat dat in ons huidige stelsel niet goed gaat. Te veel wachtlijsten, te laat ingrijpen waardoor problemen verder oplopen, onderbehandeling en overbehandeling, de scheefgroei dat kinderen uit migrantengezinnen minder gespecialiseerde zorg krijgen dan autochtonen, oplopende kosten en tekortschietende preventie, enzovoorts. Hoe hard iedereen ook zijn best doet, het gaat niet goed genoeg en het werkt allemaal te vaak langs elkaar heen. De goede bedoelingen van de Wet Jeugdzorg blijken in de praktijk nog niet waargemaakt te worden. En ik zeg erbij: dat ligt niet aan de intenties van al die mensen die dag in dag uit voor deze kinderen in de weer zijn. Er gaat in het systeem iets niet goed.

De fractie van GroenLinks steunt de uitgangspunten van de Jeugdwet, die niet echt anders zijn de van de Wet Jeugdzorg: zorg dichtbij het kind, snelle toegang, doeltreffende hulp, geen sociale ongelijkheid en veel meer nadruk op preventie en vroege signalering. We delen ook de gedachte dat de jeugdhulpverlening daarom zoveel mogelijk op het niveau van de gemeente moet worden geregisseerd om zo te komen tot samenhang daar waar het kan. Decentraliseren, ontschotten, verbinden. We zijn dus in principe geneigd om deze wet te steunen. Maar omdat zelfs de weg naar de hel geplaveid is met goede bedoelingen, is die neiging niet voldoende. In deze Kamer moeten wij toetsen hoe het zit met de rechtmatigheid, uitvoerbaarheid, en de verwachte effecten. Er zijn veel vragen over gesteld en de antwoorden van de regering getuigen van een sterk wensdenken: alles zal goed komen want iedereen bedoelt het goed. Er zijn echter een aantal zaken die ons zwaar op de maag liggen.

Recht op zorg

De eerste steen op onze maag is de vraag hoe het recht op zorg is gegarandeerd. Ik beperk me daarbij tot de verhouding tussen Jeugdzorg en Jeugd-GGZ. De overgang van verzekerd recht naar gemeentelijke voorziening is niet onmogelijk maar roept natuurlijk wel onzekerheid op. Ik nodig de staatssecretaris uit om nogmaals klip en klaar uit te leggen dat de Jeugd-GGZ voluit deel blijft van de Geestelijke Gezondheidszorg met alle professionele eisen en professionele autonomie die daarbij hoort. Kan hij hier nog eens heel nadrukkelijk zeggen dat de toegang tot de GGZ niet beperkt gaat worden door gemeentelijke regels en budgetten? Kan hij nog eens onderstrepen dat de huisarts alle ruimte houdt om een kind door te verwijzen naar de GGZ en dat dat dan niet wordt tegengewerkt doordat de gemeente dat niet wil vergoeden? Kan hij misschien ook in dit huis nog eens herhalen dat mevrouw Jorritsma er niks van begrepen heeft als ze zegt dat “jongeren niet meer naar de psychiater worden gestuurd, maar naar de voetbalclub.” En als hij dat allemaal zo heeft onderstreept, kan hij dan misschien uitleggen hoe de gemeente in vredesnaam kan sturen op zorgvolume in de JGGZ als ze niets te zeggen heeft over de toegang en de inkoop?

Het garanderen van de zorg is en blijft een verantwoordelijkheid van de rijksoverheid, gezien het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind en andere verdragen. Dat betekent dat de uitvoering wel kan worden gecoördineerd door de gemeente, maar dat de rijksoverheid garant blijft staan voor toegankelijkheid en kwaliteit. Hoe gaat de regering deze verantwoordelijkheid invullen? Ik vraag daarbij in het bijzonder aandacht voor kinderen van gezinnen zonder papieren, gezinnen zonder vaste verblijfplaats, gezinnen met complexe woonsituaties, gezinnen die over de grens wonen maar hier verzekerd zijn. Is de staatssecretaris het met mijn fractie eens dat alle kinderen in Nederland en alle kinderen van Nederlanders hetzelfde recht hebben op goede zorg en dat hij linksom of rechtsom moet garanderen dat dat geregeld wordt. Erkent de staatssecretaris dat uit het IVRK volgt dat voor kinderen zonder rechtmatig verblijf dezelfde zorg beschikbaar moet zijn en dat daarmee ook de ouders niet mogen worden uitgesloten van jeugdhulp. En is de staatssecretaris het met mijn fractie eens dat het onrechtmatig is als motieven uit het migratiebeleid een rol spelen bij het bepalen wat de beste oplossing is voor een kind dat hulp nodig heeft? Heel concreet vraag ik de staatssecretaris de toezegging dat bij het – op zich legitieme – woonplaatsprincipe een hardheidsclausule zal gelden die garandeert dat geen enkel kind tussen de wal en schip valt. Graag een duidelijk antwoord op dit punt.

Bij de garantie van goede zorg hoort ook het goed organiseren van de toegang. Ook hier wordt wat geschoven met termen en verantwoordelijkheden, zodat bijvoorbeeld onduidelijk is geworden dat bij de AMHK’s vertrouwensartsen betrokken zijn bij de intake en hoe daarbij het medisch beroepsgeheim is geborgd. De term ‘beschikbaar’ is nogal losjes en de term ‘deskundig’ is niet gespecificeerd. Is de staatssecretaris het met ons eens dat deze specifieke deskundigheid geborgd is bij de vertrouwensarts en dat die daarom een vaste plaats bij het AMHK moet hebben? Is de staatssecretaris bereid dat bijvoorbeeld in een AMvB te regelen?

Privacy

De tweede steen op onze maag is de privacy. Een van de belangrijkste kenmerken van een rechtsstaat is dat burgers worden beschermd tegen de eigen overheid. Daar hoort bij dat de overheid niet alles van je moet weten. Met allerlei deskundigen en ook het CBP maken wij ons zorgen over de privacy bij deze nieuwe Jeugdwet. Op papier ziet het er allemaal redelijk uit, maar we weten allemaal dat de werkelijkheid zich niet aan ons papier houdt en we vinden de Nadere Memorie van Antwoord wel erg naïef. Nee, niet elke ambtenaar mag alle gegevens inzien, maar dat wil niet zeggen dat het niet zal gebeuren. Het koppelen van bijzondere persoonsgegevens, dat essentieel is voor een geïntegreerde regie vanuit de gemeente, en het verruimen van de Verwijsindex zijn bovenmatig en leiden tot function creep en beveiligingsproblemen. Er ontstaan zo op lokaal niveau EPD-achtige structuren van het soort waar deze Kamer zich eerder massaal tegen heeft verzet. De kern van het privacy-beleid zal toch moeten zijn dat mensen zelf eigenaar zijn van hun gegevens en dat dus ook expliciete toestemming nodig is voor er iets kan worden gedeeld en dat er dus stevige schotten tussen de soorten gegevens moeten staan?. Is de staatssecretaris het daarmee eens en hoe heeft hij dat dan geborgd? Het kan toch niet de bedoeling zijn dat alle gegevens over een psychische noodsituatie bij een kind, de uitkering van een van de ouders, een huurschuld, een veroordeling van vader wegens een café-ruzie, en de citoscore van de jongste allemaal met een druk op de knop op het scherm komen? En als de staatssecretaris ‘nee’ zegt, dan moet hij dit ook onmogelijk maken. Een verbod alleen is niet genoeg. Hoe is geregeld dat mensen zelf over hun gegevens beschikken en bepalen wie ze mag inzien? Hoe is geregeld dat ze überhaupt zelf inzage hebben in hun gegevens? Hoe is geregeld dat ze een notificatie krijgen als iemand hun gegevens inziet of aanpast? In dat kader vraag ik de staatssecretaris nogmaals om vast te leggen dat er ook op lokaal niveau Privacy Impact Assessments worden gerealiseerd. Want ja, natuurlijk wordt dit allemaal een lokale verantwoordelijkheid, maar als het gaat om het beschermen van de privacy is er ook een kaderverantwoordelijkheid voor de rijksoverheid. Hoe geeft de regering vorm aan die kaderverantwoordelijkheid?

Bezuinigen

De derde steen op onze maag betreft de bezuinigingen die met deze transitie gepaard gaan. De redenering snappen we wel: als je de hele jeugdhulpverlening anders, beter, inricht, dan voorkom je een heleboel ellende en kun je dus betere zorg leveren voor minder geld. Maar niet voor het eerst draait onze regering de zaak om: als we minder geld geven, ontstaat er vanzelf betere zorg.  En dat is gewoon niet waar. De transformatie die we met elkaar willen, zal op termijn mogelijk geld opleveren, maar in eerste instantie kost het extra geld. Niet alleen de frictiekosten in engere zin, waar de antwoorden op de schriftelijke vragen vaak een beetje flauw naar verwijzen, maar veel meer dan dat. Het opbouwen van een nieuwe manier van werken, is een dure grap. En wil je dat goed doen, dan moet je daarin investeren.

Op termijn kan de nieuwe jeugdhulpverlening misschien goedkoper. Misschien, want het zou ook kunnen zijn dat we met een betere manier van werken, zorgen dat meer jongeren noodzakelijke hulp krijgen. We weten het gewoon niet en opnieuw rekent de staatssecretaris nogal naïef optimistisch naar zichzelf toe. Mijn fractie houdt er rekening mee dat in de komende jaren blijkt dat het nieuwe stelsel niet goedkoper maar duurder is. Als dan de zorg echt beter is, willen we daar best over praten, maar de gladde verkooppraatjes over efficiency en preventie-effecten werken bij ons niet. Voorlopig zien we dat de ontwikkeling van de transitieregio’s een stevige hap uit het budget neemt. En we zien dat er voor preventie simpelweg geen geld over is, terwijl uitgebreid investeren in preventie en in vroegtijdige signalering essentieel is voor een verbetering van de jeugdzorg. Wij denken dat we al heel blij mogen zijn als straks hetzelfde werk gedaan kan worden als nu. Maar dan zullen we de komende jaren opnieuw ontdekken dat de Jeugdwet niet gebracht heeft wat nodig was.

Daar komt nog iets bij. Het is volstrekt onduidelijk hoe het met de financiering van de Jeugd-GGZ gaat omdat die net volledig op de schop is. Het nieuwe onderscheid tussen basis-GGZ en gespecialiseerde GGZ, de overgang op dbc, dot, en andere vergoedingssystemen, niemand die echt weet hoe het gaat uitpakken. Dat onzekere pakket wordt met deze Jeugdwet op de tafel van gemeenten gelegd die daar geen inzicht in hebben en geen regie op kunnen voeren. En dus bestaat het risico dat straks de juiste zorg niet geboden kan worden, er geen geld is voor preventie en vroegsignalering, de wachtlijsten toenemen, instellingen failliet gaan, en/of gemeenten in financiële problemen komen en geen instrument hebben om dat op te lossen.

Kortom, we begrijpen de doelstelling wel, maar we hebben er geen vertrouwen in dat dat doel op deze manier bereikt kan worden. Deze transitie vraagt om investeringen en garanties en niet om bezuinigingen. Daarom vraag ik de staatssecretaris of hij bereid is de garantie te geven dat het Rijk bijspringt wanneer de gemeentelijke budgetten te kort schieten, zoals bij de WWB. Neemt hij zijn verantwoordelijkheid voor een goede opbouw van het nieuwe stelsel, of kiepert hij alles over de schutting van de gemeenten? We vragen meer dan mooie woorden, we vragen dat de regering haar verantwoordelijkheid neemt.

Het minste wat er nodig is om deze risico’s te hanteren, is een goede overgangsregeling, bijvoorbeeld waar het gaat om de inkoop van gespecialiseerde jeugdzorg en jeugd-GGZ. We hebben begrepen dat er voor dit lopende jaar een afspraak is over ondersteuning van de inkoop door de zorgverzekeraars. De staatssecretaris spreekt van een zachte landing, maar dat is alleen voor dit jaar geregeld. Daarna ligt alles open. Heeft de staatssecretaris gemerkt dat de VNG dat heel optimistisch en zelfs wat misleidend op haar website weergeeft: “Verzekeraars en gemeenten werken in de periode 2014 tot en met 2017 samen aan een zachte landing van de Jeugd GGZ.” Nu zou ons dit wat waard zijn, maar dan willen we wel graag helderheid. Hoe is het dan geregeld voor 2016 en 2017? Weten de zorgverzekeraars al dat ze drie jaar gaan samenwerken aan de zachte landing? Wij hebben de indruk van niet en horen dus graag een toelichting. Of beter nog: een toezegging dat de staatssecretaris zal bewerkstelligen dat de continuïteit en kwaliteit niet in het gedrang komen en dat de deskundigheid van de zorgverzekeraars ook voor 2016 en 2017 beschikbaar blijft voor gemeenten? Is hij bereid om de gemeenten duidelijk te maken dat ze zeker bij een aantal delen van de jeugdhulpverlening minder te sturen hebben dan ze zelf willen? En is hij ook bereid om een oplossing te bieden als gemeenten met bijvoorbeeld een grote instelling met veel dure LVG-kinderen straks in de problemen komt? En als hij dat allemaal niet kan, neemt hij dan de verantwoordelijkheid voor het falen van het nieuwe stelsel of gaat hij dat straks de gemeenten, zorginstellingen en verzekeraars verwijten?

Ten slotte

Drie zware stenen zijn het, voorzitter, met elk verschillende kanten: De garantie van goede zorg, de privacy, en de combinatie met de in te voeren bezuinigingen. Met de regering willen we dat elk kind de zorg krijgt die het nodig heeft. Dat een kind met een psychiatrische stoornis zo snel mogelijk bij de kinderpsychiater terecht komt en niet blijft hangen terwijl de ouders een opvoedcursus moeten volgen. En dat een gezin met behoefte aan opvoedingsondersteuning niet onnodig in de GGZ terecht komt. Daarover zijn we het wel eens. We zijn er niet zeker van dat de overheveling van de JGGZ een verstandige zet is, en daarom moet er op zijn minst een hele stevige borging van de eigensoortige positie van de GGZ zijn, net zo goed als van de vertrouwensartsen. We gaan niet de medische deskundigheid van deze beroepsgroepen verrommelen omwille van een stelselwijziging. En net zo willen we betere waarborgen voor een hardheidsclausule bij het woonplaatsprincipe en voor privacy assessments op lokaal niveau. En we willen financiële garanties van het rijk om te voorkomen dat straks gemeenten en zorginstellingen en dus kinderen in nood met de gebakken peren zitten. We zijn het kortom eens met de uitgangspunten van de Jeugdwet, maar de staatssecretaris zal toch echt belangrijke toezeggingen moeten doen om ook echt onze steun te krijgen. We zien uit naar zijn antwoorden.

Advertenties

1 reactie

Opgeslagen onder Eerste kamer

Een Reactie op “Bijdrage in het debat over de Jeugdwet 11 Februari 2014

  1. Pingback: Waarom wij toch tegen de Jeugdwet stemden… | Ruard Ganzevoort blogt