Parlementair onderzoek anti-discriminatie

Aanbieding rapport voorbereidingscommissie Parlementair onderzoek antidiscriminatiewetgeving in de Eerste Kamer op 2 februari 2021

Voorzitter, het is een grote eer om u – en daarmee de Kamer als geheel – zo dadelijk het rapport aan te bieden van de Tijdelijke commissie voorbereiding parlementair onderzoek effectiviteit anti-discriminatiewetgeving. De Kamerbrede tijdelijke commissie heeft, met oog voor de politieke verschillen, in grote eensgezindheid dit rapport voorbereid met de bedoeling dat de Kamer tot een weloverwogen besluit kan komen. Mede namens de commissie spreek ik allereerst grote dank en waardering uit voor de griffie en ondersteuning die met bijzondere inzet zowel procesmatig als inhoudelijk aan dit project hebben gewerkt.

De commissie heeft bij haar werk veel voordeel gehad van het werk dat gedaan is in aanloop naar het eerste parlementaire onderzoek van de Eerste Kamer in 2011, onder leiding van onze oud-collega Roel Kuiper. De toenmalige voorbereidingscommissie onder leiding van het lid Leijnse constateerde dat het Reglement van Orde en de geschiedenis haar weinig aanknopingspunten boden voor de vormgeving van het onderzoek en dat dat haar voortgang bemoeilijkte. Ondanks die moeite en ondanks het feit dat verschillende leden van de voorbereidingscommissie waaronder voorzitter Leijnse bij de direct volgende Kamerwisseling niet terugkeerden, bleek de vervolgens ingestelde parlementaire onderzoekscommissie een bijzonder waardevol rapport te kunnen opleveren met duidelijke handvatten voor verbetering van de parlementaire controle. Commissievoorzitter Kuiper adviseerde om die reden om in elke Kamerperiode een dergelijk onderzoek in te stellen als versterking van de controle-instrumenten van de Kamer.

De aanleiding voor het huidige voorstel ligt in de laatste Algemene Politieke Beschouwingen en de daar ingediende en breed omarmde motie Rosenmöller-Jorritsma. Uit het draagvlak toen, uit de eensgezindheid binnen de voorbereidingscommissie, en uit de bredere maatschappelijke ontwikkelingen blijkt hoe relevant en urgent de gekozen thematiek is. Tolerantie, emancipatie en het tegengaan van discriminatie zijn diep verankerd in onze nationale identiteit en ons collectieve zelfbeeld. Van links tot rechts kan men een lofzang op die thematiek horen, ook al variëren de toonzetting en de toespitsing. Eveneens van links tot rechts horen we echter zorgen dat dat principe van non-discriminatie onder druk staat, en ook hier variëren de voorbeelden en de concretiseringen. Dat maakt het om te beginnen urgent en relevant om hier onderzoek naar te doen.

Bij de APB en ook in de commissie is gediscussieerd over de vraag waarom het een parlementair onderzoek moet zijn. We vonden elkaar in de constatering dat er klaarblijkelijk een kloof is tussen enerzijds dat nationale zelfbeeld, onze geschiedenis en de concretisering daarvan in onze Grondwet en de onderliggende wetten die zich tegen discriminatie uitspreken en anderzijds de realiteit dat discriminatie een veelkoppig monster blijkt waarvan de tentakels overal te vinden zijn in de samenleving. Nu geldt dat voor veel meer kwesties; de wet is er juist omdat de realiteit niet automatisch volmaakt is. Maar juist bij het thema discriminatie constateren we dat het bij discriminatie niet alleen gaat om wat burgers elkaar kunnen aandoen, hoe pijnlijk dat ook ervaren kan worden. Ook de wetgeving zelf en het functioneren van de overheid en de overheidsdiensten staan ter discussie en dat ligt door recente affaires en misstanden onder het vergrootglas. Dat betekent dat een parlementair onderzoek voor de hand ligt.

Bij een parlementair wetgevingsonderzoek ligt, in lijn met de rol van de Eerste Kamer, de nadruk niet op de politieke verantwoordelijkheden maar op de verbinding tussen Grondwet, gewone wetten, overheidsbeleid, uitvoering en consequenties. En het doel van het onderzoek is scherper te krijgen hoe in de verschillende schakels van die keten de effectiviteit van anti-discriminatie-wetgeving kan toenemen. We willen graag te weten komen hoe we bij de toetsing van wetsvoorstellen en beleid beter zicht kunnen krijgen op mogelijk discriminerende effecten. Door in het onderzoek in te zoomen op een aantal sectoren waarin de overheid zelf leidend is of ten minste een duidelijk regulerende rol speelt, kunnen we volgens de voorbereidingscommissie doelmatig en trefzeker dit inzicht worden in die effectiviteit en in mogelijkheden om die te vergroten. Daarbij denkt de commissie aan de arbeidsmarkt, het onderwijs, de sociale zekerheid en de politie, vier sectoren die zich onderscheiden naar de mate van overheidssturing. De commissie adviseert daarbij om bij discriminatie te kijken naar verschillende discriminatiegronden waaronder leeftijd, gezondheid en arbeidsbeperkingen, etniciteit, levensovertuigingen, en geslacht en seksuele gerichtheid. Het onderzoek zal mede gebruik moeten van onderzoek dat op deelterreinen al gedaan is en van probleemanalyses en oplossingsrichtingen die beschikbaar zijn vanuit andere, vergelijkbare landen en multilaterale organisaties.

Voorzitter, alles is politiek maar politiek is niet alles. Die prachtige titel van een boek van wijlen de ethicus Harry Kuitert moge ook van toepassing zijn op het voorgestelde onderzoek. Deze Kamer is een politiek orgaan en debatten over discriminatie hebben altijd ook een politieke spits. Maar politiek is niet alles. Wij delen met elkaar de verantwoordelijkheid om voorbij de politieke polarisatie te bouwen aan een samenleving waarin – met de woorden van de Grondwet – allen die zich in Nederland bevinden, in gelijke gevallen ook gelijk behandeld worden. Namens de tijdelijke voorbereidingscommissie bied ik u het rapport aan op grond waarvan de Kamer kan besluiten over de instelling van het parlementair onderzoek effectiviteit anti-discriminatiewetgeving.

Reacties uitgeschakeld voor Parlementair onderzoek anti-discriminatie

Opgeslagen onder Uncategorized

Reacties zijn gesloten.