Burgerschap in het onderwijs

Bijdrage aan het debat in de Eerste Kamer over aanscherpen van de burgerschapsopdracht in het onderwijs

Het lijkt zo vanzelfsprekend: we voeden onze kinderen op om straks als mondige en verantwoordelijke volwassenen hun weg in de samenleving te kunnen vinden. En daarin spelen ouders, scholen en anderen allemaal een rol. It takes a village to raise a child. Maar zo vanzelfsprekend is het niet, wanneer we het met elkaar oneens zijn over wat dan dat mondige, verantwoordelijke volwassen burgerschap inhoudt. Welke waarden staan daarin centraal en welk gedrag vinden we acceptabel of verwerpelijk? Die vraag komt aan de oppervlakte wanneer we het hebben over burgerschap, wanneer politici pleiten voor normen en waarden, wanneer we grondrechten bediscussiëren, enzovoorts. In de tijd van de verzuiling had elke zuil ruimte het eigen waardenpatroon vorm te geven. Maar na de ontzuiling en secularisatie werd dat veel ingewikkelder en werd de zoektocht naar algemeen geldende waarden sterker. Dat bracht de Duitse staatsrechtgeleerde Ernst-Wolfgang Böckenförde tot een veel bediscussieerde stelling dat de liberaal-seculiere staat leeft bij de gratie van voorwaarden die ze zelf niet kan garanderen. Een pluriforme samenleving als de onze heeft namelijk geen eenduidige en vanzelfsprekende waarden waarop een ieder aanspreekbaar is. En de staat is maar zeer beperkt in staat om die waarden te formuleren en te garanderen, laat staan af te dwingen.

Het is niet voor niets dat veel discussies over die basale waarden al heel snel gaan over de verhouding tussen religieuze en seculiere waardenpatronen. Ze worden onmiddellijk in de hoek getrokken van vragen naar godsdienstvrijheid, tolerantie en artikel 23. Ze gaan daarmee ook al snel over de vraag wat in de publieke dan wel in de private sfeer thuishoort, waar religie een plek mag hebben, waar onderwijs plaatsvindt, en hoe ver de overheid in beide sferen mag doordringen. En daarmee wordt het een machtsstrijd die wil bepalen dat sommige waarden universeel zijn en dus publiek en andere – bijvoorbeeld religieuze – waarden secundair en ondergeschikt moeten blijven.

Dit lijkt misschien een al te filosofische reflectie, maar ze verklaart waarom we bij het wetsvoorstel verduidelijking burgerschapsopdracht brieven krijgen van lobbyisten die hetzij pleiten voor een dwingender eis aan scholen om bepaalde waarden uit te dragen en vorm te geven, hetzij opkomen voor het grondwettelijke recht om het onderwijs naar eigen visie en inzicht in te richten. Allebei zijn het normatieve standpunten, en allebei worden ze vaak technocratisch en juridisch ingevuld, alsof een wettelijk vastgestelde eis om bij te dragen aan actief burgerschap de oplossing is voor intolerantie of juist de doodsteek voor eigen verantwoordelijkheid voor scholen.

De wetstekst van 2006 die burgerschap stevig verankerde zonder veel te bepalen over de inhoud ervan, past in dat spanningsveld. De wens om die opdracht aan te scherpen evenzeer, want de algemene formuleringen werken niet, zo zegt ook de Inspectie. En met de toegenomen polarisatie en intolerantie in de samenleving neemt de behoefte aan verduidelijking toe, ook al begrijpt iedereen dat het onderwijs niet de oplossing is van alle maatschappelijke problemen.

Het voorliggende wetsvoorstel doet daarom een poging om de burgerschapsopdracht aan te scherpen en mijn fractie is daar blij mee. De formuleringen van het oorspronkelijke voorstel waren voorzichtig, want de inhoud van burgerschap wordt nog steeds terughoudend beschreven: het onderwijs bevordert respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtstaat zoals verankerd in de Grondwet, en de universeel geldende fundamentele rechten en vrijheden van de mens. En het onderwijs ontwikkelt bij de leerling sociale en maatschappelijke competenties om deel uit te maken van en bij te dragen aan de pluriforme democratische Nederlandse samenleving. En dat is dan niet alleen een lesinhoud; het bevoegd gezag draagt zorg voor een schoolcultuur die hiermee in overeenstemming is.

Voorzitter, deze formulering is een zoektocht naar balans tussen ruimte laten voor verschillende levensovertuigingen enerzijds en onverschilligheid anderzijds. Schipperen tussen dwingende eenheidsworst en een nieuwe verzuiling waarin parallelle samenlevingen kunnen ontstaan met alle gevolgen van dien. De hier gedefinieerde burgerschapsvoorwaarde lijkt ons wel de ondergrens te zijn. Als de in de Grondwet verankerde basiswaarden en de universele rechten niet meer het ijkpunt zijn, dan komen we aan de grens van wat in een democratische rechtstaat kan worden getolereerd. Dat is wat Karl Popper de tolerantieparadox noemde: in een open democratische samenleving kan intolerantie niet worden getolereerd omdat dat de bijl aan de wortel van die samenleving is.

Daarom is mijn fractie blij met het amendement Van den Hul dat nog iets toevoegt dat juist nu zo belangrijk is: het bijbrengen van kennis over en respect voor verschillen in godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, afkomst, geslacht, handicap of seksuele gerichtheid alsmede de waarde dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden. Natuurlijk, dit is artikel 1 van de Grondwet en technisch gezien dus niets nieuws. Maar respect voor diversiteit blijkt helemaal niet vanzelf te spreken. Religieuze diversiteit, seksuele diversiteit, etnisch-culturele diversiteit… ze blijken in verschillende scholen, subculturen en ook politieke groeperingen soms zeer omstreden te zijn.

Wanneer we dit voorstel toetsen, kijken we naar de wenselijkheid en legitimiteit van het doel, maar ook naar de proportionaliteit en handhaafbaarheid. De uitvoerbaarheid is in dit geval niet zo ingewikkeld. Over de wenselijkheid heb ik genoeg gezegd. De legitimiteit wordt in verschillende ingebrachte bezwaren ter discussie gesteld, alsof de overheid met deze criteria een te inhoudelijke inbreuk zou maken op levensbeschouwelijke gemeenschappen. Dat overtuigt ons niet. Waar de inhoud niet anders is dan de Grondwet en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, kan niet gezegd worden dat de overheid hier haar neutraliteit verliest en zich moreel te dwingend opstelt. Wat betreft de proportionaliteitsvraag zijn wij van mening dat dit wetsvoorstel goed de balans houdt tussen enerzijds de vrijheid van scholen om aansluitend bij de eigen levensovertuiging en maatschappijvisie leerlingen te vormen en anderzijds het publieke belang dat die leerlingen in de pluriforme samenleving hun weg kunnen vinden en ook beschermd worden tegen intolerantie en discriminatie op de school zelf.

De handhaafbaarheid is in onze ogen wel een punt van overweging en daarover willen we de minister graag een vraag stellen. Als wij het goed zien, verloopt de handhaving van deze criteria via het toezicht op de deugdelijkheidseisen en niet via bijvoorbeeld de kerndoelen. Kan de minister aangeven hoe in dat toezicht wordt voorkomen dat het een kwestie is van afvinken, of van willekeur in de beoordeling? Op welke manier kan het toezicht juist ook bijdragen aan verbetering door een kritische dialoog over de manier waarop scholen zelf deze burgerschapsopdracht in hun visie hebben verdisconteerd? Anders gezegd: draagt de handhaving zelf ook bij aan een lerende organisatie?

Voorzitter, de Pavlov-reactie bij wetsvoorstellen als het voorliggende is vaak de klacht van bepaalde scholen dat zij in hun vrijheid worden beknot. Zo lezen we dat in de internetconsultatie is gevraagd “hoe het feit dat leraren moeten handelen in overeenstemming met basiswaarden en mensenrechten zich verhoudt tot de pedagogische vrijheid van scholen en leraren.” Alsof onderwijs dat met mensenrechten in tegenspraak is, pedagogisch verantwoord zou kunnen zijn. Waar het over zou moeten gaan, is de vraag wat onze kinderen nodig hebben om in een pluriforme democratische rechtstaat te leven. Dan gaat het bijvoorbeeld om de pedagogische verantwoordelijkheid die scholen hebben ook voor hun leerlingen die homoseksueel of transgender blijken te zijn. Dan gaat het om de pedagogische verantwoordelijkheid om leerlingen respect bij te brengen voor andersdenkenden, religieus of seculier. Scholen die zich door dit wetsvoorstel bedreigd voelen, zou ik graag uitnodigen in de spiegel te kijken: waarom zouden zij de vrijheid willen hebben om in hun lessen, identiteitsverklaringen of leermiddelen afbreuk te doen aan begrip en respect voor wie anders is?

In de hoop dat dit wetsvoorstel zal bijdragen aan een bredere vorming van onze jongeren tot mensen die zichzelf geaccepteerd weten en anderen accepteren, en die verantwoordelijkheid nemen voor zichzelf en de samenleving, zie ik uit naar het antwoord van de minister.

Reacties uitgeschakeld voor Burgerschap in het onderwijs

Opgeslagen onder Uncategorized

Reacties zijn gesloten.