Hoop en de harde werkelijkheid

Ab Harrewijnlezing 2022. Bij de uitreiking van de Ab Harrewijnprijs op 13 mei 2022 mocht ik de lezing uitspreken. Geïnspireerd door de prachtige nominaties van projecten die laten zien hoeveel veerkracht er in de samenleving is.

Beste mensen,

Wat een prachtige nominaties voor de Ab Harrewijnprijs. En wat een bijzonder voorrecht om vandaag, precies twintig jaar na het overlijden van Ab Harrewijn, deze lezing te mogen geven. Wat mij met Ab, de rode dominee, verbindt, is niet alleen dat ik een aantal jaren als voorzitter van De Linker Wang ook lid was van de jury van de Ab Harrewijnprijs en daar elk jaar zag hoeveel prachtige projecten er genomineerd werden. Het is ook dat ik – net als hij – een in de politiek verdwaalde theoloog ben. Volgens sommigen is dat een onmogelijke combinatie; voor mij zijn spiritualiteit en politiek twee kanten van dezelfde medaille. Het gaat er in beide gevallen om dat we ons niet neerleggen bij hoe de zaken toevallig zijn. De harde werkelijkheid heeft niet het laatste woord. Nee, we geloven dat het anders kan. Leefbaarder, eerlijker, beter.

Ab Harrewijn zat bovendien niet zomaar in de politiek, maar ook nog eens in de linkse politiek, en ook dat voorbeeld heb ik gevolgd. Nu ga ik er geen al te politiek praatje van maken, maar religie en linkse politiek zijn niet altijd even goede vrienden. Veel christelijke politiek bijvoorbeeld is erg goed in het beschermen van de status quo, van de belangen van de gevestigde orde. Daarom is er altijd een sterke linkse religiekritiek geweest. Maar let op: dan gaat het om kritiek op de religieuze macht die zich verzet tegen sociale verandering, om de instituten die mensen klein houden. Het hoeft geen kritiek te zijn op de religieuze inspiratie want die kan even goed revolutionair zijn als reactionair, even goed emancipatoir als onderdrukkend. Links is niet per se seculier of atheïstisch en christelijk is niet per se rechts. Dat heeft Ab ons in elk geval geleerd.

Ik wil vanmiddag een paar gedachten met u delen over die harde werkelijkheid en de hoop dat het anders kan. En daarbij gaat het bijna vanzelfsprekend ook over de vraag waarom mensen zo weinig vertrouwen hebben in de overheid en de politiek. En over de vraag waar het inspirerende verhaal is gebleven waarmee de linkse beweging de status quo wilde aanpakken.

Hoe zit het met die harde werkelijkheid?

Op het eerste gezicht valt het wel mee. We leven in een van de meest ontwikkelde, meest welvarende, meest gelukkige landen ter wereld als je de internationale ranglijstjes mag geloven. Een land met een sterke economie, een hoog opleidingsniveau, goed openbaar vervoer, onderwijs en gezondheidszorg van hoge kwaliteit, zeker als je dat vergelijkt met de meeste andere landen. Maar tegelijk hebben we tienduizenden dak- en thuislozen, een toeslagenaffaire, discriminatie bij de belastingdienst, een schreeuwend tekort aan betaalbare woningen, rijken die ongestoord belasting ontwijken en armen die voortdurend voor fraudeur worden aangezien, boeren die klem zitten tussen stikstofregels en supermarkten die te weinig willen betalen voor hun producten omdat de consumenten goedkope kip willen, reizigers die voor een paar tientjes het vliegtuig naar de zon nemen en omwonenden van wie de rust en gezondheid op het spel staat…

Met andere woorden: we hebben vooral een samenleving laten ontstaan waarin de verschillen tussen mensen enorm zijn. Een prachtig land – een ontzettend gaaf land, zou Rutte zeggen – als je het voorrecht hebt dat je aan de goede kant staat. Als je toevallig in het goede nest bent geboren, gezond bent van lijf en leden, een mooie opleiding gehad, enzovoorts. Grote kans dat je dan ook de fijne baan en het huis vindt, enzovoorts. Maar zit je eenmaal aan de verkeerde kant van de streep, dan is de kans groot dat je in een spiraal naar beneden terecht komt. Kijk maar naar ons onderwijs. Dat zou bij uitstek de kans zijn voor mensen om hun leven op te bouwen. De grote emancipatiemachine. Maar in de praktijk draagt het ertoe bij dat de kansrijken en de kansarmen worden uitgeselecteerd. Word je vroeg ingeschreven op het kinderdagverblijf dan start je de basisschool al met een voorsprong. Met een beetje bijles en toetstraining krijg je een schooladvies voor VWO en stroom je daarna door naar de universiteit. En als je pech hebt? Dan kun je er ook wel komen, maar vaak via een omweg en met veel meer drempels. En als je dan ook nog een achternaam of uiterlijk hebt waardoor mensen denken dat je familie niet uit Nederland komt, dan krijg je waarschijnlijk te maken met een slechter schooladvies, discriminatie bij het zoeken van een stageplek, daardoor een slechter CV en minder kansen op die mooie baan.

Nederland is een prachtig land als je aan de goede kant geboren bent. En die tweedeling is geweldig versterkt door Corona. Als je een goed huis en een passende baan hebt, is de kans groot dat je veel meer thuis kon werken, minder risico had om ziek te worden, enzovoorts. Maar mensen die met te velen in een te klein huis wonen, die een slecht betaalde baan hebben die ze niet thuis kunnen doen, die hadden het zwaar. En voor mensen die op straat leven, was het helemaal moeilijk.

En dat is allemaal geen toeval. Het is het logische gevolg van hoe we de samenleving hebben georganiseerd. Ik geloof niet dat het een complot is dat door kwaadaardige mensen is bedacht. Het is veel meer ontstaan doordat er een verhaal aan de macht is gekomen dat geluk in het leven je eigen verdienste is en pech je eigen probleem. Een verhaal dat geen oog wil hebben voor het grote verschil tussen mensen waarbij de een grote voorrechten heeft, geboren met een gouden lepel, en de ander met 3-0 achter aan de wedstrijd moet beginnen. Een verhaal dat de geluksvogels vertelt dat ze recht hebben op hun geluk omdat ze “hardwerkende Nederlanders” zijn en dat de pechvogels feitelijk vertelt dat ze niet zo moeten zeuren maar zich gewoon een beetje beter moeten invechten.

In dat verhaal dat onze samenleving regeert, worden de spelregels bepaald door de gelukshebbers. Let maar op de woorden die we gebruiken. We hebben het over mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, alsof het niet de arbeidsmarkt is die voor veel mensen ontoegankelijk is. We hebben het over mensen met een beperking alsof het niet onze gebouwen zijn die zo beperkend zijn ingericht dat ze alleen voor mensen zonder rolstoel toegankelijk zijn. We hebben het over laaggeletterden alsof het niet onze websites, folders en kranten zijn die onnodig moeilijke woorden gebruiken. En zelfs bij de Ab Harrewijnprijs hebben we het over de onderkant van de samenleving, alsof het eigenlijk onder de maat is van wat een samenleving zou moeten zijn en alsof de solidariteit en zorg voor elkaar die je daar soms vindt niet juist het hoogtepunt van samenleven is. Woorden doen ertoe en we trappen met zijn allen voortdurend in de val van dit harde verhaal over de “BV Nederland”, alsof het een bedrijf is dat winst moet maken in plaats van een gemeenschap waar mensen het goed willen hebben met elkaar.

Dat doet iets met ons vertrouwen

Ik ben op dit moment in de Eerste Kamer met een parlementaire onderzoekscommissie aan het kijken hoe het nu kan dat er zoveel discriminatie is ondanks al onze wetten die dat verbieden. De grondwet begint er zelfs mee: gij zult niet discrimineren. En natuurlijk, elke dominee, zelfs een rode, weet dat je zo vaak je wilt kunt preken dat mensen niet meer moeten zondigen en dat dat weinig effect heeft, maar de vraag die de onderzoekscommissie stelt, is nog net een beetje anders: wat zit er in onze wetgeving, in dat hele systeem, waardoor discriminatie misschien juist wel wordt uitgelokt, ondanks dat verbod. We hebben tal van deskundigen gesproken en ook mensen die zelf discriminatie hebben ervaren. En een van de thema’s die je dan steeds weer hoort, is dat het systeem zo ingewikkeld is dat het juist mensen die een steuntje in de rug nodig hebben niet lukt om dat te krijgen. En dat de straf die de overheid zet op misbruik van die steuntjes in de rug zo zwaar is dat veel mensen het niet eens meer aan durven om die steun te vragen, veel te bang dat ze een foutje maken en daarvoor later moeten boeten.

Eind 2021 gaf de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving een mooi essay uit, Machtige mensbeelden, waarin ze eigenlijk zeiden dat de overheid er veel te veel op vertrouwt dat mensen zichzelf wel kunnen redden en er veel te weinig op vertrouwt dat mensen eerlijk zijn. En zo legt de overheid, aangespoord door politici die willen scoren op TV, enorme nadruk op de fraudebestrijding, maar dan vooral bij mensen die toch al kwetsbaar zijn gemaakt en veel te weinig nadruk op de ondersteuning van mensen die het nodig hebben. Een van de gevolgen is natuurlijk dat mensen het vertrouwen in de overheid kwijt raken. En ook in de politiek. Zijn er nog politici die voor jou opkomen als je het nodig hebt, of horen zij ook bij de gevestigde orde, de baantjescarrousel, het kartel? Ik ga niet zeggen dat je alle politici moet wantrouwen, want ik zie echt veel goede intenties. Ik ga ook niet zeggen bij welke partij de goeden zitten. Maar ik denk wel wat wij als politici vaak deel zijn van het probleem. Dat we vaak eerder bijdragen aan wantrouwen dan aan vertrouwen in de samenleving. En dat we vaak beleid maken waar de tweedeling eerder door wordt versterkt dan dat mensen die al een achterstand hebben een steuntje in de rug krijgen.

Maar dan toch die vraag naar dat linkse verhaal

Waar is de inspirerende boodschap die die op voorrechten en privileges gebouwde samenleving ter discussie stelt? Waar is dan het hoopgevende verhaal dat het weer heeft over de verzorgingsstaat die voor mensen opkomt, de bestaanszekerheid voorop stelt, die mensen grond onder de voeten geeft? Het lijkt erop dat alle linkse partijen het moeilijk hebben en dat verhaal maar niet kunnen vinden. Volgens sommigen komt dat omdat ze veel te druk zijn met asielzoekers en transgenders, homo’s en vrouwen, nakomelingen van het slavernijverleden, dat ze veel te veel aandacht hebben voor de gekwetste identiteiten van allerlei minderheidsgroepen en dat ze vergeten waar het echt om gaat: een huis, een baan, voldoende inkomen. Links is, zo is dan het verwijt, veel te woke geworden en vergeet dat het gaat om bestaanszekerheid.

Dat klinkt natuurlijk lekker. Geef vluchtelingen de schuld van de woningnood. Geef geen aandacht aan transgenders want het gaat om arbeiders. Lach om klagende mensen van wie de voorouders tot slaaf gemaakt zijn, want de AOW moet eerst worden verhoogd. Zeur niet over aardgas en klimaat zolang er mensen naar de voedselbank moeten. Maar wat we dan eigenlijk doen, is een wedstijdje narigheid. We spelen mensen met een verslaving uit tegen arbeidsmigranten, vluchtelingen uit Oekraïne tegen vluchtelingen uit Syrië, homo’s en lesbiennes tegen mensen met een bijstandsuitkering. En als je dat maar genoeg doet, blijven degenen met de macht en de privileges buiten schot. Alsof de oorzaak van de onrechtvaardigheid in de wereld zit bij een andere groep die het ook moeilijk heeft in plaats van in het systeem dat beide kwetsbaar gemaakte groepen op achterstand zet.

Het verwijt dat links te veel aandacht geeft aan al die identiteitsvragen en emoties en de basis vergeet van een rechtvaardig inkomen, een woning, enzovoorts, zet dus op een naargeestige manier de bijl in de solidariteit. Maar het zegt ook dat de vragen over wie je bent, over je voorgeslacht, over je identiteit pas gesteld mogen worden als je de basis is op orde hebt van baan en huis. Alsof het luxe vragen zijn in plaats van vragen die ook gaan over de basis van je bestaan en over of je in deze samenleving mag zijn wie je bent.

Ik geloof er dus niet in dat we moeten kiezen om het alleen over economische achterstelling, problemen en kwetsbare groepen te hebben of over hoe mensen op andere manieren worden benadeeld, gediscrimineerd, onheus bejegend. Ik geloof niet in een strijd om de aandacht voor het een of tegen het ander. Ik geloof in een wereld die inclusief en rechtvaardig is voor iedereen. In het dagelijks leven werk ik op de Vrije Universiteit onder meer als Chief Diversity Officer. Met een mooi team probeer ik in de hele universiteit bij te dragen aan een beter diversiteitsbeleid. Dat betekent heel concreet dat we kijken wat er nodig is om de drempels weg te nemen die vrouwen en mensen van kleur ervaren bij hun wetenschappelijke loopbaan. We maken ruim baan voor talent, ook als het geen witte mannen zijn. Maar we kijken ook naar de inrichting van gebouwen en websites om te zien of ze toegankelijk genoeg zijn voor iedereen. Er loopt een project om in elk gebouw genderinclusieve toiletten te realiseren. En we organiseren trainingsweken waarbij we studenten ondersteunen die als eerste van hun familie gaan studeren, zodat ze wat beter toegerust zijn om in een voor hen nieuwe wereld de weg te vinden. Want hoe verschillend ook de uitdagingen, het gaat eigenlijk steeds maar om een ding: de boel zo organiseren dat al die mensen met hun totaal verschillende mogelijkheden, uitdagingen en talenten tot bloei komen. Hoezo zouden we moeten kiezen voor de een of tegen de ander? Waarom zouden alleen bepaalde belemmeringen belangrijk zijn? Ieder mens telt en alles wat we doen om de wereld gastvrijer, inclusiever, ondersteunender te maken, is de moeite waard. Het genderneutrale toilet voor de ene mens is net zo belangrijk als een rolstoeltoegankelijke collegezaal voor de ander en gelijke beloning voor mannen en vrouwen is net zo wezenlijk als groeimogelijkheden voor kinderen uit migrantengezinnen. Hoezo zouden we moeten kiezen? Waarom proberen we niet om iedereen gelukkig te maken?

Als we dat proberen, ontdekken we automatisch dat het ook gaat om onze eigen privileges. Om de voorrechten die elk van ons ook heeft genoten. Voor de een is dat het voorrecht van een gegarandeerd inkomen. Voor de ander een stabiele jeugd zonder trauma’s. Voor een derde een sterk sociaal netwerk. En voor de vierde een overleversmentaliteit. En naast voorrechten hebben de meesten van ons ook achterstanden, kanten van ons leven waar we de voorrechten missen. De een wordt benadeeld vanwege achternaam of geslacht, de ander heeft een kwetsbare lichamelijke of psychische gezondheid. Niemand hoeft zich schuldig te voelen over de voorrechten en niemand hoeft zich te schamen over de achterstanden. Dit zijn de kaarten die het leven voor ons geschud heeft. Daar zullen we het mee moeten doen. En de enige vraag is dan ook of je de voorrechten die je hebt gekregen alleen inzet voor je zelf of dat je ze gebruikt om er anderen mee te ondersteunen. Ik kan er niks aan veranderen dat ik een witte man met een goede opleiding ben en daardoor allerlei mogelijkheden krijg die anderen niet krijgen. Maar ik kan er wel voor kiezen om dat als een verantwoordelijkheid te zien om me voor anderen sterk te maken en daarmee die anderen sterk te maken.

En daarom zetten linkse politici zich in voor bescherming van mensen die van de bijstand of een minimuminkomen moeten leven, maar ook voor homoseksuelen die ook vandaag nog met discriminatie te maken hebben, en ook voor Ahmed en Jahmila die geen stageplek vinden omdat bedrijven hen te exotisch vinden. En ook voor onze medeburgers in Caribisch Nederland die veel vaker dan hier onder de armoedegrens leven. En belangrijker nog dan die politici: daarom zetten honderdduizenden zich in voor voedselbanken en voor taalles aan vluchtelingen, voor natuurparkjes en voor vrouwen die door hun partner worden geslagen. Dat zijn echt niet allemaal linkse mensen of projecten. Sterker nog: eigenlijk doet dat er helemaal niet toe. Wat ertoe doet is dat we oog hebben voor de ander die een steuntje nodig heeft en dat we niet groepen tegen elkaar laten uitspelen.

En zo kom ik van een harde werkelijkheid, het beschadigde vertrouwen van burgers in de overheid én van de overheid in burgers, bij een verhaal over verandering. Een verhaal over ruimte maken voor de ander. Een verhaal over zorg en verantwoordelijkheid. Een verhaal over hoop.

Maar wat is hoop eigenlijk?

Hoop is wat mij betreft niet de zalvende boodschap dat het allemaal ooit beter wordt. Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw, zongen de kinderen vroeger op de zondagschool. Maar als dat al een vorm van hoop is, dan is het ook direct een georganiseerde teleurstelling. Elke beweging van hoop die er in de geschiedenis is geweest, is op zo’n teleurstelling uitgelopen. Als onze enige boodschap is dat het eens beter wordt, dan ligt het cynisme op de loer.

Nee, hoop is iets anders. Het is niet de passieve gedachte dat het beter zou kunnen worden, maar de elektriciteit die ontstaat als je de negatieve pool van de harde werkelijkheid verbindt met de positieve pool van hoe het zou kunnen zijn. Het is niet het wachten op betere tijden maar de energie om nu dingen beter te maken. Het is het geloof dat deze wereld anders, beter, mooier zou kunnen zijn waardoor ik me hier en nu wil inzetten. En blijf inzetten, of het nu lang duurt of kort, of ik nu wel of geen grote successen zie. Hoop is vasthouden aan de wetenschap dat het echt anders kan dan dat we nu doen.

Dit soort hoop is stronteigenwijs. Het verzet zich tegen het cynisme dat het toch nooit gaat lukken, dat de hoge heren in Den Haag of de complotbaasjes het wel tegen zullen houden, dat het al zo vaak geprobeerd is en dat Jan met de pet en Khadija met de hoofddoek toch altijd verliezen. Deze hoop zegt tegen beter weten in dat het anders kan. Of misschien is dat juist het betere weten, dat je vasthoudt aan die hoop, niet omdat het al bewezen is, maar omdat het gedroomd kan worden. Deze aanstekelijke hoop zegt: als we het kunnen bedenken met elkaar, dan kunnen we het ook realiseren. We kunnen een wereld bouwen waarin ieder mens telt, waarin we oog hebben voor elkaar, waarin we elkaar kansen gunnen en niemand tussen de wielen raakt. En als we dat kunnen dromen, dan kan het ook gebeuren. Laat me die negatieve pool van de harde werkelijkheid maar zien. En deel met me die positieve pool van de droom van hoe het zou kunnen zijn. En breng die twee polen zo dicht bij elkaar dat de vonken overspringen. Dát, die elektriciteit is hoop. En die hoop wordt alleen maar sterker als je me laat zien hoe problematisch de werkelijkheid is. En die hoop wordt alleen maar concreter als je me vertelt waar je van droomt. Laat het maar knetteren want daar bloeit de hoop op en daar ontstaan de plannen om het ook werkelijkheid te laten worden en de energie om het dan ook waar te maken.

Stronteigenwijs, tegen beter weten in geloven dat de wereld anders kan. Dat is de hoop die ons een leven lang kan aansporen tot verandering. Maar dan is er nog wel iets extra’s nodig om het vol te houden. Als we willen dat de wereld anders wordt en als we daar onze energie voor inzetten, dan moeten we wel goed voor onszelf en elkaar zorgen om het vol te kunnen houden. De teleurstelling, de ontmoediging, de verbittering, het ligt allemaal op de loer. Zonder compassie met onszelf en met elkaar slaat dan de hoop om in hopeloosheid. Dan verliezen het geloof dat het anders kan en zijn we zelf deel van het probleem geworden. Compassie betekent dat we de ander zien en ons laten raken, dat we beseffen dat het niet altijd om strijd gaat of een lange mars maar ook om pleisterplaatsen waar je even mag uitrusten. Met compassie kunnen we ook de momenten omarmen dat het even niet lukt en kunnen we ons laten dragen door anderen die net zo verlangen naar die betere wereld. Compassie doorbreekt de eenzaamheid van de strijd en is daarmee dus ook de noodzakelijke voeding om de hoop levend te houden. Hun strijd, onze strijd, internationale solidariteit bijvoorbeeld. Maar compassie is ook de zachte kant koesteren, iets wat ik eerder wel eens radicale zachtmoedigheid heb genoemd.

Als hoop het geloof is dat het anders kan, dan hebben we het niet in de eerste plaats te verwachten van diegenen die het in de bestaande werkelijkheid voor het zeggen hebben. De machten van vandaag hebben ervoor gezorgd dat de wereld is geworden wat ze is. De ongelijke kansen waarmee mensen het moeten doen, de manier waarop we de aarde uitbuiten en langzamerhand onleefbaar maken, het systeem waar mensen tussen de wielen raken, de cultuur waarin we voortdurend als groepen tegen elkaar worden opgehitst, de oorlogszoekers die bereid zijn anderen op te offeren aan hun idealen, daar hebben we het allemaal niet van te verwachten. En daarmee is hoop per definitie niet het geloof in een sterke leider, want die sterke leider is deel van de machten van vandaag.

Wat Ab Harrewijn ons heeft laten zien en wat alle nominaties vandaag laten zien, is het volgende: Hoop begint niet bij de machthebbers. Hoop ontstaat niet op de tekentafel of zelfs bij een visioen van een politicus. Hoop ontstaat in Sliedrecht en Arnhem, in Rotterdam en Roermond. Het ontstaat in een voedseltuin en een gastvrije huiskamer. Het ontstaat waar mensen elkaar zien en samen laten zien dat het anders kan.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s