Categorie archief: Uncategorized

Lerarenregister

Spreektekst bij het debat over het lerarenregister op 14 februari 2017

Wie de stukken over het Lerarenregister tot zich neemt, die raakt welhaast ontroerd door alle goede bedoelingen. Het gaat erom de professionele ruimte van de leraar beter te erkennen en de kwaliteit van het beroep van leraar steviger te verankeren door professionele standaarden te ontwikkelen en een lerarenregister waarbij leraren zelf een belangrijke stem hebben in het bepalen van de kaders en criteria.  

Mijn fractie – laat ik daarmee beginnen – deelt die goede bedoelingen voluit. We behandelen deze maand bijna elke week een wetsvoorstel over het onderwijs en ik kan alleen maar blijven herhalen hoe belangrijk onderwijs als investering in de samenleving van de toekomst. Een samenleving die steeds meer wordt gekenmerkt door complexiteit en waarin veranderingen steeds sneller zullen gaan door de exponentiële groei van kennis. Dan ben je er niet met een iPad en Google, maar is het juist steeds belangrijker dat we docenten hebben die in die snel veranderende wereld – vol van informatie, desinformatie en ‘alternatieve feiten’ – jongeren kunnen leren hun weg te vinden. Mijn vader, zelf een leraar, zei wel eens voor de grap dat een goede leraar van bijna alle dingen bijna alles afweet, maar dat is niet wat we vandaag verwachten, juist omdat bijna alles blijft veranderen. Wel verwachten we van een leraar dat zij of hij in staat is om steeds weer op een effectieve manier snel veranderende kennisdomeinen te ontsluiten voor leerlingen op een manier die hen helpt om hun vaardigheden en hun talenten te ontwikkelen en zo hun plek in de samenleving in te nemen. Dat vraagt nogal wat en daarom is dit debat ook een goed moment om onze waardering uit te spreken voor al die goede leraren die steeds weer jonge mensen helpen om zich te ontwikkelen en de brug te slaan naar kennis, inzicht en vaardigheden.  

Dat is ook precies die goede bedoeling van dit wetsvoorstel. Want hoe kan een leraar die complexe rol vervullen wanneer zij of hij zelf niet voldoende tijd, ruimte, mogelijkheden en uitdaging zou krijgen om ook mee te groeien en voldoende up to date te zijn? Als de wereld van leerlingen snel verandert, dan verandert de wereld van leraren ook en dan is het niet voldoende als je vijf, tien, twintig, of vijfendertig jaar geleden je opleiding met succes hebt afgerond. Het vak van leraar vereist een voortdurende ontwikkeling en bijscholing. En het lerarenregister dat met dit wetsvoorstel wordt verankerd zorgt er dan ook vooral voor dat dat voortdurende bijspijkeren wordt gegarandeerd en dat leraren erkenning krijgen voor die broodnodige vernieuwing van hun deskundigheid. Bevoegdheid en bekwaamheid moeten daarom de vanzelfsprekende norm worden en daarom is transparantie goed, zeg ik ook tegen de SGP die bang blijkt voor verlies van gezag als ouders ontdekken dat een leraar onbevoegd is in plaats van dat gezag te borgen met die vanzelfsprekende bevoegdheid. 

Je zou dus verwachten dat de regering met haar voorstel veel steun heeft weten te verwerven in het veld. Maar in plaats daarvan werd er vandaag een petitie aangeboden aan deze Kamer. Daarin zeggen leraren: we zijn hier niet per se op tegen, maar we willen niet dat het wordt opgelegd terwijl er geen draagvlak is, we willen niet dat daarmee onze keuzevrijheid bij professionalisering wordt ingeperkt, en we willen vooral dat het niet in de plaats komt van al die andere zaken die nodig zijn om het onderwijs te verbeteren zoals kleinere klassen, minder lesuren, en meer bevoegde leraren. En de sectorraden zeggen: goed idee, maar zonder draagvlak onder leraren en zonder goede inbedding in de schoolpraktijk zien wij het niet zitten. En daarom stelt mijn fractie aan de staatssecretaris de vraag hoe hij het voor elkaar heeft gekregen om een plan waar in theorie iedereen voor is, en waar de vrijwillige variant van het lerarenregister redelijk breed omarmd wordt, zo te laten ontsporen dat het vandaag lijkt alsof er massale weerstand is tegen het hele voorstel. Er zijn zeker ook andere stemmen te horen, ook vanuit de beroepsgroep, maar de vele handtekeningen onder de petitie geven wel aan dat er onrust is. Wat heeft de staatssecretaris gedaan om de brede steun die er in principe is te verzilveren voor een door de beroepsgroep zelf gedragen register? En hoe komt het dat alle woorden van de regering in bijvoorbeeld de Memorie van Antwoord – dat dit voorstel precies aansluit bij wat Leraren in Actie wil bijvoorbeeld – door de actievoerende leraren niet worden herkend?  

Deze vragen klemmen voor mijn fractie omdat wij niet alleen de intenties delen, maar ook denken dat het voorstel in de goede richting wijst. En met de inmiddels aangebrachte temporisering bij de invoering zien we alle reden om op deze weg verder te gaan. Maar dan is het gebrek aan draagvlak wel een punt van zorg. Graag een reactie van de regering over hoe bij de uitwerking de beroepsgroep zo wordt meegenomen dat de bezwaren en weerstanden verdwijnen.. 

Mijn fractie ziet dus wel de waarde van de invoering van een lerarenregister maar is het met de protesterende leraren eens dat er ook echt andere zaken nodig zijn, waaronder het terugdringen van het tekort aan bevoegde leraren. De regering heeft naar aanleiding van de motie van de Tweede Kamerleden Grashoff en Ypma aan de Tweede Kamer aangegeven haar uiterste best te doen om voor 15 februari 2017 met een plan van aanpak te komen specifiek gericht op het bestrijden van het lerarentekort. Nu is het vandaag 14 februari en dus de laatste dag voor die bedoelde 15 februari en we horen dan ook graag van de regering hoe dat plan van aanpak eruit zal zien. Wat doet de regering om het tekort aan te pakken? 

5 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

Levensbeschouwelijk onderwijs

Spreektekst bij het debat over het initiatiefvoorstel van Loes Ypma, Joel Voordewind en Michiel Rog inzake de bekostiging van levensbeschouwelijk onderwijs en godsdienstonderwijs op openbare scholen
.

Mijn fractie dankt de indieners van dit wetsvoorstel voor hun initiatief en hun betrokkenheid. Wij zullen het voorstel ook steunen en ik plaats dat vandaag in het iets grotere perspectief van de visie op onderwijs. Het gaat er bij onderwijs volgens mijn fractie altijd om mensen – vaak jonge mensen – te stimuleren om zich zo te ontwikkelen dat ze optimaal kunnen functioneren in de samenleving. Daarvoor is nodig dat ze zich voldoende kennis en vaardigheden eigen maken, maar dat is niet genoeg. Ze moeten ook de ruimte krijgen om hun eigen talenten maximaal te ontplooien. En als derde hebben ze recht op vorming tot authentieke en verantwoordelijke burgers. Dit wetsvoorstel gaat over dat laatste aspect want bij die vorming hoort ook de levensbeschouwelijke dimensie in al haar diversiteit.

Die levensbeschouwelijke vorming heeft twee kanten. Er is een kennisaspect dat ook wel ‘teaching about religion’ wordt genoemd en er is een overdrachtsaspect dat ook wel ‘teaching into religion’ heet. Dat kennisaspect krijgt in brede zin aandacht in kerndoel 38, kennisgebied geestelijke stromingen. Ik citeer: “De leerlingen leren hoofdzaken over geestelijke stromingen die in de Nederlandse multiculturele samenleving een belangrijke rol spelen, en ze leren respectvol om te gaan met verschillende opvattingen van mensen.” Buitengewoon belangrijk in een levensbeschouwelijk veelkleurige samenleving als de onze. Maar het is niet genoeg. Leerlingen moeten ook leren zichzelf te verstaan en te positioneren in relatie tot hun eigen achtergrond, reflecteren op levensbeschouwelijke en morele vraagstukken en daarbij te wortelen in hun levensbeschouwelijke traditie. Ook dat is deel van de vorming als verbinding met en aanvulling op wat zij van huis uit mee krijgen.

Dat is niet nieuw, zoals de indieners in hun Memorie van Toelichting terecht duidelijk maken. Het is al vanaf de negentiende eeuw structureel onderdeel van ons onderwijsstelsel. Het verschil tussen openbaar en bijzonder onderwijs – dat overigens toch al kleiner aan het worden is – is namelijk helemaal niet dat er in het openbaar onderwijs geen ruimte zou zijn voor religie en levensbeschouwing. De openbare school laat ruimte voor alle richtingen en neemt daarbij zelf geen eigen religieuze of levensbeschouwelijke kleur aan. En terzijde: dat openbaar onderwijs in de eerste helft van de negentiende eeuw werd juist wel geacht algemeen christelijk te zijn, gericht op de ‘eer van het opperwezen’ (1801) en gericht op ‘alle Maatschappelijke en Christelijke deugden’(1806). Kom daar nog maar eens om …

Bij dat ruimte laten voor alle richtingen wordt ook al vanaf de eerste onderwijswetten van de negentiende eeuw geregeld dat het specifiek leerstellige onderwijs gegeven wordt binnen de school door vertegenwoordigers van de levensbeschouwelijke stromingen. Dat gebeurt nog steeds en daarover gaat dit wetsvoorstel. Het vloeit voort uit de kwaliteitseisen die we tegenwoordig ook stellen aan deze denominatie-gebonden docenten. Als we kwaliteitseisen stellen, dan moeten we ook de salariëring en ondersteuning gewoon fatsoenlijk regelen.

Mijn fractie hecht zeer aan de levensbeschouwelijke ruimte, maar juist daarom ook aan de kwaliteit van deze docenten. Die kwaliteit is immers een noodzakelijke voorwaarde om te voorkomen dat deze levensbeschouwelijke vorming sektarisch zou worden en kan strijden met de voorbereiding op die levensbeschouwelijk veelkleurige samenleving en het respect dat kerndoel 38 centraal stelt. Goede persoonlijke levensbeschouwelijke vorming die aansluit bij de opvoeding is veel waard als het verbonden wordt met die respectvolle omgang met anderen. Daarvoor is kwaliteit van de docenten essentieel en daarom is dit een buitengewoon verstandig wetsvoorstel waar we de indieners voor danken.

3 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

Een inclusieve en empathische samenleving

Inleiding voor provinciale ledenvergadering GL Drenthe, Assen 05.11.2016

We zouden het vandaag kunnen hebben over de strijd tussen Hillary Clinton en Donald Trump, over de hatelijkheid waarmee ze op elkaar reageren, over de manier waarop Trump woede oproept en kanaliseert en daarmee een behoorlijke aanhang lijkt te vergaren, over de angst die leeft bij Mexicanen voor de gevolgen van een eventuele regering Trump, over hoezeer dat haaks staat op een inclusieve en empathische samenleving, over of Hillary eigenlijk veel beter is, over hoe zij met overslaande stem Donald met zijn aanhang wegzette, over of ze überhaupt eigenlijk wel linkser is dan een VVD-er van het goede soort, … 

Maar waarom zo ver van huis? Onze verkiezingen zijn een beetje anders van toon, ook omdat we meer partijen hebben. En onze samenleving heeft vanouds bijvoorbeeld betere sociale voorzieningen waardoor de tegenstellingen minder groot zijn. Maar verder? Uit allerlei onderzoeken blijkt dat de tweedeling in de samenleving toeneemt. Rijk en arm komen elkaar nauwelijks meer tegen. Hoog en laag opgeleid kijken volstrekt anders tegen de samenleving aan. Hier geboren Nederlanders en nieuwkomers staan soms tegenover elkaar, vooral als het gaat om de vraag waar en hoe je de opvang van asielzoekers moet organiseren. Mensen met een beperking merken hoeveel obstakels er overal zijn omdat we nog steeds alles bouwen voor mensen zonder beperking, ook al is dit jaar eindelijk en na veel gedraai van de regering het internationaal verdrag voor de rechten van mensen met een beperking aangenomen. Mensen die door afkomst, inkomen of opleiding meer voorrechten hebben gekregen, zijn gezonder en leven langer en gelukkiger. Ze kunnen zich beter eten veroorloven, wonen in gezondere wijken en maken zich geen zorgen over het eigen risico als ze een keer zorg nodig hebben. Mensen die die voorrechten niet hadden, wonen vaker in buurten met slechte huizen of langs snelwegen, hebben minder kans om in de natuur te gaan wandelen met hun kinderen, hebben meer moeite om onderlinge steun te organiseren, en kunnen zich de gezondere voeding of medische zorg minder goed veroorloven. En de allergrootste motor van de ontwikkeling van mensen, het onderwijs, blijkt ook nog eens in het voordeel te werken van mensen die al die voorrechten al hadden. Terwijl de happy few hun kinderen soms al voor de geboorte hebben aangemeld bij de beste kinderopvang en daarna de meest ambitieuze lagere school, vallen kinderen uit achterstandsgroepen soms buiten de boot. Bij de schooladviezen voor de middelbare school krijgen zij vaker een laag schooladvies, en bij de doorstroom via mbo en hbo zijn er voor hen veel meer horden te nemen dan voor kinderen die met een gouden lepeltje geboren zijn.

En ook in het sociaal-culturele vlak gaat het niet altijd goed. De verdraagzaamheid is in Nederland in de afgelopen jaren minder geworden. Je ziet dat bij de toegenomen spanningen met religieuze groepen. Natuurlijk, heel nadrukkelijk rond de Islam, maar ook de felheid tegen orthodox-christelijke groepen lijkt te zijn toegenomen. Terwijl we vroeger graag en trots spraken over onze religieuze diversiteit hoor je vandaag de dag soms steeds feller ageren tegen religie in het algemeen. En wat je daar ook van vindt, het verhardt de sfeer. Ook de etnische minderheden voelen zich vaak buitengesloten terwijl omgekeerd autochtone Nederlanders (mag dat woord nog?) zich soms bedreigd voelen door nieuwkomers. Homo’s en lesbiennes durven niet meer hand in hand over straat te lopen. En jong en oud vechten elkaar de pensioenpot uit.

Man man man, wat een klaagzang. Is het dan zo erg met Nederland? Nou, ik kan ook een ander verhaal vertellen en dat is ook waar. Ons onderwijs en onze zorg zijn over de gehele linie van goede kwaliteit en breed toegankelijk. Er is een groot draagvlak voor vrijwilligerswerk, ook als het gaat om natuurbehoud, opvang van vluchtelingen, cultuur, enzovoorts. Ons land hoort bij de koplopers als het gaat om gelijke rechten voor man en vrouw, homo en hetero, etcetera. Ons pensioenstelsel is nog steeds robuust, betrouwbaar en solidair. Er is dus ook veel goeds te vertellen, maar er is geen reden om op onze lauweren te rusten. Als we al dat goede willen behouden, moet er wel iets gebeuren.

Als we nadenken over een inclusieve en empathische samenleving en wat daar voor nodig is, dan moeten we beginnen te beseffen dat dat niet een kwestie is van terug naar vroeger. Wie een beetje de geschiedenis kent, die weet dat Nederland nooit echt een inclusieve en empathische samenleving is geweest. Oh ja, er was zeker een vorm van tolerantie die ervoor zorgde dat vluchtelingen hier terecht konden: Joden, Hugenoten en Hongaren bijvoorbeeld in verschillende tijden. Maar verder? Tot diep in de negentiende eeuw was Nederland toch echt een standenmaatschappij waar alleen de rijken het voor het zeggen hadden en vrouwen politiek al helemaal niet meetelden. De eerste helft van de twintigste was een verzuilde samenleving waar wel de gelijke rechten werden ontwikkeld maar waar je je niet hoefde te bemoeien met mensen van een andere achtergrond. En met de definitieve afbraak van de verzuiling staan we nu op het punt dat we niet zo goed weten hoe dan een inclusieve en empathische samenleving eruit ziet.

Uiteindelijk gaat het volgens mij niet om een vrije keuze of je wel of niet zo’n inclusieve en empathische samenleving wilt. Het begint namelijk met de eenvoudige constatering dat wij leven in wereld waarin we met elkaar verbonden zijn en van elkaar afhankelijk. Oorlog in Syrië en armoede in Griekenland betekenen direct dat er vluchtelingen in Drenthe komen. Mijn aanschaf van een mobiele telefoon – ook als ik hem zogenaamd gratis krijg bij een nieuw abonnement – betekent dat in China of Afrika mensen onder slechte omstandigheden zeldzame mineralen uit de grond halen met soms grote milieuschade die vervolgens weer bijdraagt aan wereldwijde klimaatproblemen en sociale spanningen. Alles hangt met alles samen. Maar natuurlijk kunnen we er wel voor kiezen hóe we daarmee omgaan. Probeer ik mijn eigen wereldje te beschermen door de ander buiten te sluiten, of probeer ik vanuit die verbondenheid te denken en te werken?

De eerste grote stap die je dan kunt zetten, is het bouwen aan een inclusieve samenleving. Dat wil zeggen dat je doet wat mogelijk is om te zorgen dat ook de ander – welke ander dan ook – in die samenleving zijn of haar weg kan vinden. Maar dat is wel meer dan roepen dat nieuwkomers zich maar moeten invechten. Dat hebben minderheidsgroepen natuurlijk vaak gedaan. In stilte, zoals veel migranten, of luidkeels zoals in de emancipatiestrijd van eerst vrouwen en later homo’s en lesbiennes en vandaag de dag mensen met een beperking. Stuk voor stuk hebben ze laten zien hoe vaak onze maatschappelijke structuren die inclusiviteit in de weg staan. En daarom is het zo belangrijk en zo ingewikkeld om dat ideaal van een inclusieve samenleving echt voorop te zetten. Het vraagt namelijk ook iets van de mensen die er al waren, die het al voor het zeggen hadden. Inclusief denken betekent voor een witte bevoorrechte man van middelbare leeftijd – zoals ik, zeg maar – kritisch zijn op mijn voorrechten en op de vraag of ik met die voorrechten de ontwikkeling van een ander in de weg sta. Het betekent dat we bij het ontwerpen van een nieuw gebouw beginnen met de mensen voor wie toegankelijkheid een probleem is, want dan is het voor de mensen zonder beperking sowieso goed. Enzovoorts. Inclusief denken ondermijnt de vanzelfsprekendheid omdat het begint te denken bij de outsider. En daarmee wordt de samenleving uiteindelijk voor iedereen prettiger, maar dat is alleen uiteindelijk. Want in eerste instantie kost het mij misschien wel mijn privileges.

Daarom kan een inclusieve samenleving niet zonder empathie – of wat ik ook wel compassie noem. Ik ben blij dat Jesse Klaver dat begrip empathie de laatste tijd vaker gebruikt en ben erg benieuwd naar zijn boek hierover dat binnenkort uitkomt. Voor mij betekent empathie – als politiek begrip – dat we vanuit de fundamentele verbondenheid van alles en iedereen zoeken naar inlevingsvermogen. Mijn visie op het vluchtelingenprobleem wordt anders als ik mij kan inleven in jonge mensen die vanuit een verscheurd Aleppo een veilig heenkomen zoeken. Maar het wordt ook weer anders als ik mij kan inleven in mensen in een klein Drents dorp die zien hoe een pretpark-eigenaar groot geld verdient aan het huisvesten van asielzoekers terwijl zij zich in hun eigen dorp niet meer thuis voelen. Empathie is niet kiezen voor de een of de ander, maar beginnen ons te verplaatsen in hen beiden. Dat leidt uiteindelijk altijd tot een betere oplossing en tot meer draagvlak dan eenzijdig kiezen of dan de uitruilpolitiek waar de coalitie de laatste jaren steeds voor gekozen heeft.

Empathie is ten diepste een levenshouding die niet door de politiek kan worden bewerkstelligd. Alle voorbeelden waarmee ik begon laten zien dat inclusiviteit en empathie niet geen softe feel-good termen zijn maar direct raken aan de harde politieke werkelijkheid. De overheid kan door haar beleid en haar wetgeving best wel iets doen aan een inclusieve samenleving, maar ze heeft geen directe invloed op deze grondhouding. Politici hebben echter wel invloed op de cultuur. Door de manier waarop ze met elkaar en over elkaar spreken, dragen ze bij aan een meer empathisch gesprek of aan een verhardend debat. En dat gebeurt van links tot rechts. Als wij een inclusieve en empathische samenleving willen, dan is de eerste stap dat we andere politici en kiezers van andere partijen niet wegzetten maar proberen te begrijpen. Rechtse kiezers en populistische kiezers – en die twee vallen niet samen – zijn niet dom of fout. Ze hebben net als wij hun dromen, wensen, angsten en verlangens. En als we daarover in gesprek komen, ontdekken we misschien wel meer raakvlakken dan we dachten. Dat mag doorklinken in de politiek die we bedrijven en in de keuzes die we maken. Wij zijn er niet voor de belangen van onze achterban maar voor het ideaal van een wereld voor iedereen.

Als we op zoek gaan naar die inclusieve en empathische samenleving, dan ontdekken we ook dat die er op heel veel manieren al is. Talloze mensen hebben zich laten raken en inspireren door de komst van asielzoekers. Ze zetten zich in voor taallessen. Ze proberen de ander te leren kennen en zich welkom te laten voelen in dit land, in deze wereld. Ze zorgen in hun dorp voor elkaar, ook als de voorzieningen soms minder worden door de bevolkingskrimp. De meeste mensen willen liever die inclusieve empathische samenleving dan een samenleving waarin groepen tegen elkaar worden opgezet. De overgrote meerderheid in ons land, oudkomers en nieuwkomers, is helemaal klaar met de angst- en haatzaaiers en verlangt naar stemmen die vrede en verbinding brengen.

Bouwen aan een inclusieve en empathische samenleving moeten we samen doen. Politici hebben een rol in hoe ze de toon zetten en hoe ze belemmeringen wegnemen. Maar uiteindelijk zijn wij het zelf, als inwoners, als burgers, als mensen, die die samenleving vorm geven. En wij staan samen voor de vraag hoe we dat meer inclusief en met meer empathie zullen gaan doen.

1 reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

Radicale zachtmoedigheid

Op het jubileumsymposium van De Linker Wang, 29-10-2016, nam ik afscheid als voorzitter. Dit was mijn toespraak:

Onze tijd heeft een dringende behoefte aan radicale zachtmoedigheid. Dat is de samenvatting van wat ik vandaag bij dit afscheid wil zeggen, dus we zouden nu gelijk aan de borrel kunnen. Maar misschien is het toch goed dat ik het nog wat toelicht. Ik heb in de aanloop naar vandaag natuurlijk nagedacht over de boodschap van De Linker Wang en wat dat betekent voor alle vragen die in onze samenleving spelen. En daarmee ook aan het thema van dit jubileumsymposium: waar is religie nu een rem op de positieve ontwikkelingen en waar draagt het positief bij?

Lees verder

1 reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

Caribisch Nederland in de Grondwet

Spreektekst bij het debat op 11-10-2016 over de verankering van de positie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba in de Grondwet en de wijze waarop burgers van die eilanden kunnen deelnemen aan de verkiezing van de Eerste Kamer.

Voorzitter. Wij bespreken vandaag een drietal wetsvoorstellen en dat laat iets zien van de complexe voorgeschiedenis van dit debat. Naast de formele hoofdmoot van behandeling in eerste lezing van een voorstel voor vastlegging in de Grondwet van de staatkundige positie van Bonaire, Sint-Eustatius en Saba is er op verzoek van deze Kamer een novelle waardoor het kiesrecht voor de Eerste Kamer op een correcte wijze wordt geregeld. Daarnaast is er nog een zinledig wetsvoorstel dat als de opengebarsten pop dood op de grond blijft liggen als de vlinder van het Caribisch kiescollege straks vleugels heeft gekregen. Hopelijk wil de minister dat voorstel nu intrekken. Zo niet, dan ruimt de Kamer het vandaag wel voor hem op

Lees verder

Reacties staat uit voor Caribisch Nederland in de Grondwet

Opgeslagen onder Uncategorized

Dromen dromen

Mijn laatste column als voorzitter van De Linker Wang, oktober 2016

Wat is de aantrekkingskracht van Jesse Klaver? Is het zijn jeugdige uitstraling? Het gemak waarmee hij met mensen in gesprek gaat? Zijn flair? Natuurlijk speelt dat allemaal mee, maar ik zie vooral ook iets anders. Iets wat niet alleen met zijn persoon te maken heeft, maar met een diepe behoefte bij veel mensen. Iets wat ze in de politiek vaak al heel lang gemist hebben: dromen en idealen. Jesse raakt bij velen de gevoelige snaar dat het anders zou kunnen en dat het anders moet in deze wereld. En dan niet uit boosheid of frustratie, maar uit verlangen.

Lees verder

1 reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

Cliëntenrechten in de zorg

Spreektekst bij het debat over cliëntenrechten bij elektronische verwerking van gegevens
(27.09.2016)

Als deze wet op een redelijk duidelijke wijze zulke belangrijke zaken zou regelen als cliëntenrechten in de zorg bij de elektronische uitwisseling van gegevens – en dat bovendien zou doen op een redelijk formele manier omdat het alleen gaat over de randvoorwaarden, hoe kan het dan dat deze minister er sinds het indienen van het wetsvoorstel op 21 december 2012 tot op heden niet in is geslaagd daar alle handen voor op elkaar te krijgen? Anderhalf jaar had de Tweede Kamer nodig en inmiddels zijn wij hier alweer ruim twee jaar verder. Zowel deze Kamer als de regering had tijd nodig. Vandaag hebben we het voorlopig afsluitende debat dat tot een oordeel over het wetsvoorstel moet leiden. En in dat debat zal ik niet alles overdoen wat aan de orde is geweest in dat hele proces, maar proberen de afweging af te pellen en onder meer een antwoord te vinden op de vraag: heeft Schippers’ berg een muis gebaard? Is er na alle zwaarwichtige woorden een wetsvoorstel overgebleven dat echt iets voorstelt? Of kijken we vandaag naar de kleren van de keizer? 

In de discussies is met enige regelmaat gewezen op het belang van elektronische uitwisseling van gegevens in de zorg. De apotheker kwam geregeld voorbij evenals de artsen die voor de diagnose bepaalde beelden of gegevens willen voorleggen aan collega’s. Maar dat leidt eerlijk gezegd in mijn ogen alleen maar af van de vraag waarvoor we hier vandaag staan. Want deze wet regelt niet dat er wel of niet gegevens worden uitgewisseld langs elektronische weg. Er wordt vanuit gegaan dat dat gebeurt. Daar kun je inderdaad wel vragen bij hebben vanwege de reikwijdte van de wet. En daar wordt dan vrij ronkend gesproken over hoeveel miljoenen er bij een LSP zijn aangesloten, maar hoe actief die aansluitingen zijn, weten we niet en ook niet hoe belangrijk dat is. Daarom stel ik de vraag toch maar aan de minister: voor hoeveel mensen is het van belang dat ze in een raadpleegbaar systeem zitten? Zou ze willen dat iedereen uiteindelijk in een sluitend systeem is opgenomen? Of deelt ze de mening van mijn fractie dat dit vooral van belang is voor mensen met een complexe zorgvraag, en voor mensen die minder goed hun eigen zorgbehoefte en zorggeschiedenis kunnen communiceren. Ik heb namelijk de indruk dat het voor die kwetsbare groepen heel belangrijk kan zijn, maar eerlijk gezegd zie ik geen enkele reden waarom mijn gegevens raadpleegbaar zouden moeten zijn. Vind de minister dat ik bijvoorbeeld bij het LSP zou moeten zijn aangesloten? Of zullen we daar ook een beetje terughoudend in zijn en het alleen naar behoefte doen, mede vanuit het besef dat er al veel te veel gevoelige informatie over ons uitlekt? Hoe voorkomen we dat mensen onder druk van zorgaanbieders of zorgverzekeraars veel te breed toestemming geven? Want ook al gaat dit wetsvoorstel niet over de LSP, de druk is nu in de praktijk al groot.  

Maar zoals gezegd: dat is niet de echte vraag vandaag. Want gegevensuitwisseling vindt plaats en dit wetsvoorstel regelt dan de rechten van cliënten daarbij. Met die intentie is weinig mis. De volgende vraag is echter of dit wetsvoorstel nodig is met het oog op dit intentie. En dan ontstaan er wel serieuze vragen. De eerste is wat dit wetsvoorstel nu eigenlijk regelt wat niet ook al in de Wgbo (Wet op de geneeskundige behandelovereenkomst) en Wbp (Wet bescherming persoonsgegevens) is geregeld. Als antwoord op die vragen krijgen we dan te horen dat het vooral om specificatie gaat, maar waarom moet dat in een aparte wet? Dan klikt als antwoord dat deze wet de kaders zal stellen voor de manier waarop de informatietechnologie moet worden ingezet om de cliëntenrechten te waarborgen. Maar daar voegt deze wet eigenlijk niets aan toe. De echte preciseringen zullen immers opgenomen worden in een AMvB die op basis van artikel 26 van de Wbp ‘specifieke functionele, technische en organisatorische eisen aan elektronische gegevensuitwisseling in zijn algemeenheid’ zal gaan bepalen. Daar is dus deze wet niet voor nodig. 

Wat er dan wel nieuw geregeld wordt? Is de gespecificeerde toestemming – een zeer complex begrip, zo bleek in de hoorzittingen en discussies – wel zo nieuw? Het inzagerecht is dat niet, hooguit de elektronische vorm. Het idee van een portal waar cliënten zelf de toestemmingen kunnen bijhouden misschien, maar dat wordt niet door de wet als zodanig geregeld en het is bovendien in de hier gedachte vorm omstreden vanwege het enorme risico op datalekken. En bovendien worden al deze onderdelen uitgesteld. Gespecificeerde toestemming? Nog niet. Sterker nog: de eerste drie jaar wordt het generieke toestemming en dat wilden we nu juist. Registratie? Nog niet. Elektronische inzage? Nog niet. Elektronisch afschrift? Nog niet. En toestemming vragen voor het raadplegen schrappen we helemaal omdat dat als dubbelop wordt ervaren. Kortom: alle zaken die werkelijk de cliëntenrechten regelen, treden nog niet in werking.  

Wat blijft er dan over? Het verbod voor de zorgverzekeraar om gegevens te raadplegen. Dat gaat al wel in werking. Maar op dat punt is het de vraag of dat echt iets nieuws regelt. Mogen zorgverzekeraars nu dan wel de medische gegevens raadplegen? Of is dit onder de Wgbo toch eigenlijk ook al verboden? Graag een reactie van de minister. Misschien kan ze dan gelijk meenemen hoe we het belang van dit voorstel moeten wegen als we zien dat er net deze week een wetsvoorstel bij onze Kamer is binnengekomen waarmee zorgverzekeraars juist makkelijker inzage krijgen in patiëntengegevens als ze fraude vermoeden. Hoe geloofwaardig is deze minister als we deze twee wetsvoorstellen naast elkaar zien? Hoe serieus is ze te nemen als ze nu zegt dat dit wetsvoorstel zo belangrijk is omdat we dan in elk geval de zorgverzekeraar het – niet eens bestaande – recht ontnemen om dossiers in te zien en dat ze tegelijk regelt dat die zorgverzekeraar dat – indirect – wel mag? 

Voorzitter, mijn fractie heeft in deze afweging toenemende aarzeling bij dit wetsvoorstel. Wat begon met een goede intentie lijkt te zijn uitgemond in een betekenisloos voorstel. De goede aspecten zijn eigenlijk al elders geregeld. De specificaties worden nog niet in werking gesteld. En het laatst overgebleven lichtpuntje verbleekt. Daarom is ook op de hoorzitting de vraag zo nadrukkelijk aan de orde geweest waarom het dan nu van belang is om dit wetsvoorstel wel aan te nemen. De deskundigen waren het daarbij niet met elkaar eens. Sommigen keken naar de goede intenties, anderen naar de onhaalbare uitwerking, weer anderen naar de magere oogst. 

Het beste wat we er nog in zouden kunnen zien, is dat dit voorstel in elk geval de kaders zet waarbinnen de verdere technische ontwikkeling zou moeten gaan plaatsvinden. Als we deze wet zouden aannemen, zo is de gedachte, dan weet in elk geval iedereen dat het over drie jaar geregeld moet zijn en wel binnen deze kaders. Maar opnieuw: als deze wet niet echt iets nieuws toevoegt aan Wgbo en Wbp, als de concretisering gaat gebeuren in een AMvB op basis van de Wbp, en als we bovendien geen idee hebben van de technologische innovaties in de komende drie jaar, wat zijn we hier dan aan het doen als we deze wet aannemen? 

Voorzitter, wat mijn fractie betreft, heeft de minister de afgelopen twee jaar alle kansen van de wereld gehad om ons te overtuigen van nut en noodzaak van deze wet, want we delen de intenties. Tot nu toe heeft ze ons – en ook allerlei deskundigen – niet overtuigd dat dit wetsvoorstel iets toevoegt. Ze heeft bovendien nog niet laten zien dat het uitvoerbaar is en handhaafbaar. Daarom hebben we in de schriftelijke ronde de vraag gesteld of het niet beter is het voorstel aan te houden. Wat gaat er mis als deze wet voorlopig helemaal niet in werking treedt en ze gewoon op basis van artikel 26 Wbp in een AMvB de richtlijnen voor de gegevensuitwisseling vaststelt en daarmee het veld de goede kant opstuurt? Zouden we niet wachten tot wet die gaat over cliëntenrechten ook echt die cliëntenrechten kan gaan regelen? Tot nu toe heeft de minister ons niet overtuigd, maar de dag is nog lang.

Reacties staat uit voor Cliëntenrechten in de zorg

Opgeslagen onder Uncategorized